WIJKBESCHRIJVING EN -LITERATUUR CENTRUM


Archipelbuurt
Willemspark
Centrum
Transvaal
Kortenbos
Schilderswijk
Stationsbuurt
Rivierenbuurt
Zeeheldenbuurt

Algemene wijkliteratuur en overzicht stadsdelen


ARCHIPELBUURT

De Archipelbuurt wordt begrensd door de Scheveningseweg, Ary van der Spuyweg, Kerkhoflaan, Koninginnegracht en de Javastraat.

Ontwikkelingsgeschiedenis.

De Archipelbuurt, bedoeld als woonwijk georiënteerd op de binnenstad met zijn voorzieningen, behoort tot de eerste grootschalige 19de-eeuwse stadsuitbreidingen buiten de 17de-eeuwse singelomgrachting. Het stratenpatroon is tussen 1869 en 1889 geleidelijk aangelegd. Slechts Willemspark I (1857-1863) en delen van de Stationswijk (1861) kwamen enige jaren eerder tot stand. Tegelijkertijd met de Archipelbuurt ontstonden de Zeeheldenbuurt, Schilderswijk-oost, Bezuidenhout-west (ca. 1870-1890), Willemspark II (1870 ex.) en de eerste aanleg van het Van Stolkpark (1875 e.v.).

Rond 1850 was het gebied van de latere Archipelbuurt nog landelijk van karakter. De ruimtelijke structuren die de vorm en grootte van de uitleg zouden bepalen waren reeds grotendeels aanwezig. De Israëlitische Begraafplaats langs de Scheveningseweg (ca. 1690), de Rooms-Katholieke Begraafplaats (ca. 1831) en Algemene Begraafplaats (1830) langs de Kerkhoflaan belemmerden een verdere uitleg naar het westen en noorden. Aan de oostzijde wordt de wijk afgesloten door het Kanaal, dat in de jaren dertig van de 19de eeuw werd aangelegd in het verlengde van de Prinsessegracht. De Javastraat is van oorsprong een oude landweg, die tot 1861 Laan van Schuddegeest werd genoemd. Tegenover Willemspark I was deze straat al enige jaren voor de eerste aanleg van de Archipelbuurt grotendeels bebouwd.

Van belang voor de ontwikkeling van de buurt was tevens de aanwezigheid van de Alexanderkazerne (1841-1848) en het aan de overzijde van de huidige Burgemeester Patijnlaan gelegen grote exercitieterrein (nu Burgemeester De Monchyplein). Een groot deel van het voormalige exercitieterrein bleef na de bouw van het stadhuis tot in de jaren negentig onbebouwd.

De aanleg en exploitatie van de Archipelbuurt kwamen met uitzondering van het Prinsevinkenpark op de gebruikelijke laat-19de-eeuwse wijze tot stand waarbij het ontbreken van een vooropgezette hoofdstructuur kenmerkend is. Particuliere beleggers (waaronder De Lint) of exploitatiemaatschappijen (‘Duinweide’ en ‘Suriname’) verwierven zich een stuk grond waarop een stratenplan werd uitgezet. De commerciële uitgangspunten leidden tot een hoge bebouwingsdichtheid en de aanleg van een recht stratenpatroon, grotendeels gebaseerd op bestaande ruimtelijke structuurelementen als wegen en waterlopen.

De eerste straten die werden aangelegd waren de Balistraat en de Sumatrastraat (1869). Daarna werd het gebied westelijk van de Bankastraat van een stratenplan voorzien en vervolgens de overige gebieden tot aan de Koninginnegracht.

De aanleg van de straten ten noorden van de Laan Copes van Cattenburch geeft een meer planmatige indruk dan ten zuiden hiervan. Dit deel van de wijk bestaat uit lange rechte oost-west georiënteerde straten met haaks hierop gelegen korte verbindingsstraten. Van een kwalitatief hoogstaande stedenbouwkundige opzet is echter geen sprake. Een uitzondering hierop vormt het in 1883 aangelegde Bankaplein met de brede zichtassen van de Bankastraat en de Riouwstraat. Gezicht op de Archipelbuurt vanaf het hoogste punt van de Bankastraat (1890).De belangrijke straten, oorspronkelijk voorzien van bomen of plantsoenen, zijn breed aangelegd en bezitten monumentale bebouwing: de Laan Copes van Cattenburch, Burgemeester Patijnlaan, Burgemeester Van Karnebeeklaan, het Nassauplein, de Surinamestraat, Koninginnegracht, Riouwstraat, Scheveningseweg en Javastraat.

Waardevolle groenbeplanting is nog slechts aanwezig in de Surinamestraat, aan het Nassauplein, in de Timorstraat en de Burgemeester Patijnlaan. De wijk kent tevens een groot aantal op binnenterreinen gelegen arbeidershofjes.

Van een geheel afwijkende opzet en met een eigen karakter is het Prinsevinkenpark in het noordwestelijk deel van de wijk, dat niet aansluit op de indeling in rechte straten. Het is in 1888 aangelegd naar ontwerp van de architect W B. van Liefland als een villapark rond een ovaalvormig plein met een gebogen stratenpatroon. De invulling van het middendeel vond pas in de eerste decennia van deze eeuw plaats.

Structurele en/of functionele veranderingen.

In de breed aangelegde straten met monumentale bebouwing en in het Prinsevinkenpark is de woonfunctie voor een groot deel vervangen door kantoren. De Javastraat, oorspronkelijk een specifieke woonstraat, is tussen het Nassauplein en de Koninginnegracht getransformeerd in een winkelstraat. In het lage deel van de Bankastraat was de winkelfunctie al vrij snel na de eeuwwisseling sterk toegenomen.

In een aantal straten zijn nog voor 1940 panden vervangen. Deze bebouwing is niet van bijzondere architectuurhistorische waarde. In schaal en opbouw passen zij evenwel goed in de omgeving (bv. Koninginnegracht 77-77b).

Bebouwing van na 1945 is op verscheidene plaatsen in de wijk aanwezig. In de Riouwstraat tussen Borneostraat en Bankaplein en op de locatie van het huidige kantoor van de Nationale Investeringsbank aan het Carnegieplein is door oorlogsgeweld in de Tweede Wereldoorlog de oorspronkelijke bebouwing vernietigd. De naoorlogse woningen in de Riouwstraat/Borneostraat sluiten redelijk aan bij het oorspronkelijke bebouwingsbeeld, maar het kantoor van de Nationale Invensteringsbank detoneert in schaal, vorm en materiaal in zijn omgeving. Dit geldt tevens voor de naoorlogse kantoorgebouwen Prinsevinkenpark 19 en Bankastraat 131.

Grootschalige nieuwbouw bevindt zich ter plaatse van de in 1971 gesloopte Alexanderkazerne en het voormalige exercitieterrein. Op de plaats van de kazerne verrezen de woningcomplexen van de architecten Sj. Schamhart (Couperusduin, 1973) en C. Weber (1982). Op het voormalig exercitieterrein zijn het stadhuiscomplex van J.B. Luthmann (1947-1953, ontwerp 1935) en het hoofdbureau van politic van W.S. van der Erve (1954-1959) gesitueerd. Met de bouw van het voormalige stadhuis is een verbinding naar het Nassauplein gemaakt door de westelijke gevelwand van dit plein te doorbreken. In 1980 is na afbraak van een rij herenhuizen op de hoek van de Burgemeester Patijnlaan en de Burgemeester van Karnebeeklaan het politiebureau met een nieuwe vleugel uitgebreid.

In de jaren 1990-1991 verrees op de hoek van de Borneostraat en de Burgemeester Patijnlaan een bejaardentehuis naar ontwerp van R. Bofill. Na de afbraak van het stadhuis in de tweede helft van de jaren negentig verrees op deze plaats een complex appartementsgebouwen eveneens naar ontwerp van deze Spaanse architect.
(Bron: Monumenten inventarisatieproject Den Haag 1850-1940. Den Haag 1992)

Meer weten? Lees ook:

E.M.C.M. Janson, De Archipelbuurt. Geschiedenis van een Haagse woonwijk. Den Haag 1972.
E.M.C.M. Janson, De Archipelbuurt en het Willemspark. De geschiedenis van twee Haagse woonwijken. Den Haag 1977.
G. Rijven, De Archipel, een buurtindruk. 's-Gravenhage 1979. Uitg. t.g.v. de 100ste verjaardag van de Riouwstraat.
Archipel-Willemspark, wijkblad, 1971 jrg. 1 - (incompleet).


WILLEMSPARK

Willemspark I

Ontwikkelingsgeschiedenis

Het Willemspark rond Plein 1813 is de eerste formele Haagse stadsuitbreiding in de 19de eeuw en bezit voor Nederlandse begrippen een ongewone monumentaliteit en allure. Dit stadsdeel behoorde oorspronkelijk tot een groot gebied ten noorden van het Noordeinde, dat koning Willem II reeds voor zijn troonsbestijging in 1840 had aangekocht. Tijdens zijn koningschap liet hij hier een landschapstuin aanleggen en langs de Nassaulaan een manege (in 1853 verbouwd tot kerk), geflankeerd door 22 woonhuizen. Koning Willem III verkocht het park in 1855 voor 45.000 gulden aan de gemeente Den Haag. Op verzoek van het gemeentebestuur ontwierp de gemeentearchitect W.C. van der Waeyen Pieterszen hier in de jaren 1855-1858 een plan voor een villapark, dat in de daarop volgende jaren door verschillende aannemer-architecten zou worden ingevuld. Een vrij groot terrein op de hoek Zeestraat-Scheveningse Veer, nu grotendeels gedomineerd door een na-oorlogs kantorencomplex, bleef overigens in particuliere handen en viel dan ook buiten het uitbreidingsplan. De planmatige aanleg van het villapark is gebaseerd op een nagenoeg recht assenkruis van twee lanen met op de kruising het ruime ovale Plein 1813. Plein 1813, met monument
Datum opname: ca. 1895 fotograaf: Bernhoeft, Ch.Bij het ontwerp was reeds uitgegaan van de plaatsing van een nationaal gedenkteken op dit plein. Het assenkruis is hiërarchisch opgevat. De brede, met een dubbele bomenrij beplante Sophialaan, gericht op de Willemskerk, is de hoofdas en de Alexanderstraat de secundaire as. Doordat de Alexanderstraat later een belangrijke verkeersfunctie heeft gekregen, wordt de Sophialaan als hoofdas niet meer als zodanig ervaren. Op de latere stadsuitleg van het Zeeheldenkwartier kreeg de Sophialaan bovendien geen directe aansluiting.

Structurele en/of functionele veranderingen

De oorspronkelijke woonfunctie van het Willemspark is grotendeels vervangen door kantoren. Slechts enkele villa’s doen dienst als residentie van ambassadeurs. De landschapstuinen, waaraan dit gebied zijn specifieke parkachtige karakter ontleent, zijn door deze functieverandering op enkele plaatsen ten behoeve van parkeerruimte verhard. Een vooroorlogse inbreuk op de schaal en structuur van het Willemspark vormt het flatgebouw (architect A.H. Wegerif, ca. 1930) op de hoek Zeestraat-Javastraat. De bijzondere kwaliteit van de architectuur en de vrije situering in een hoogwaardige tuinaanleg sluiten echter goed aan bij het karakter van de wijk. Ingrijpender voor de structuur en belevingswaarde is het na-oorlogse kantorencomplex op de hoek Zeestraat-Scheveningse Veer.

De functieverandering van woonhuizen naar kantoren heeft ertoe geleid dat enkele panden door doorbraken of tussenbebouwing met elkaar zijn verbonden.

Willemspark II

Ontwikkelingsgeschiedenis

Tot het tweede kwart van de 19de eeuw was de uit 1770 daterende en inmiddels gesloopte Frederikskazerne, het enige bouwwerk van betekenis in dit gebied. De kazerne was gelegen langs de in het verlengde van de Denneweg gelegen Frederikstraat, voor 1843 eveneens Denneweg geheten. Frederikstraat nr. 141, Frederikskazerne
Datum opname: ca. 1910De ruime groengebieden aan weerszijden van het ‘hofje Javalaantje’ (Javalaan 99 t/m 161) kunnen in verband gebracht worden met de vroegere militaire functie op deze locatie.

Een belangrijke ontwikkeling was voorts het doortrekken van het water van de Prinsessegracht richting Scheveningen, waarmee in 1830 een begin werd gemaakt. De verdere aanleg van Willemspark II kwam grotendeels tussen 1870 en 1900 tot stand. Deze aanleg vloeide niet, zoals bij Willemspark I, voort uit een door het gemeentebestuur in een keer ontworpen stadsuitbreiding maar was het gevolg van initiatieven van particuliere bouwgrondmaatschappijen. Niet een formele geplande uitleg, maar de toen bestaande verkaveling van slootjes en wegen bepalen het verloop van het huidige stratenpatroon.

Structurele en/of functionele veranderingen

De oorspronkelijke woonfunctie van de Koninginnegracht is vrijwel geheel verdwenen ten gunste van kantoren. Ook het deel van de Javastraat behorend tot Willemspark II heeft veel van zijn oorspronkelijke woonfunctie moeten afstaan ten behoeve van kantoren en winkels. De Frederikstraat kent veel winkels en horecagelegenheden en sluit daarmee goed aan op de Denneweg.

De uit 1770 daterende Frederikskazerne is in 1969 gesloopt, waarna op deze locatie flats en winkels zijn gerealiseerd. Langs de Koninginnegracht is tussen de nummers 15 en 25 de laat-19de-eeuwse bebouwing grotendeels vervangen door kantoren, die qua percelering en gevelritmiek een afwijkend beeld te zien geven.

Het gebied tussen Koninginnegracht en Hooigracht

Ontwikkelingsgeschiedenis


Dit gebied vormt historisch gezien geen onderdeel van het oude centrum. De 17de-eeuwse singelomgrachting volgt vanaf de Mauritskade het water van de Hooigracht en het Smidswater. Smidswater (links) en Nieuwe Uitleg
Datum opname: ca. 1946 fotograaf: Dienst voor de StadsontwikkelingAl in de 18de eeuw werd met het doortrekken van de Prinsessegracht tot aan de Houtweg een min of meer rechthoekig terrein buiten de singelgrachten uitgelegd en bebouwd (de Nieuwe Uitleg). Een vergelijkbare situatie deed zich voor toen omstreeks 1830 de Prinsessegracht richting Scheveningen werd verlengd. De na het midden van de 19de eeuw gerealiseerde uitleg wordt omsloten door de Dr. Kuyperstraat, Koninginnegracht, Houtweg en Hooigracht. Het bezit een vrijwel identieke stedenbouwkundige opzet als de Nieuwe Uitleg met aaneengesloten bebouwing langs de grachten, waarvan de erven uitkomen op een ‘koetshuizenstraat’, de Laan van Roos en Doorn. De belangrijkste bebouwing op zeer diepe percelen is langs de Koninginnegracht gelegen. Als gevolg hiervan doorsnijdt de Laan van Roos en Doorn deze uitleg niet in het midden maar op ongeveer tweederde van de breedte.

Structurele en/of functionele veranderingen

Aan de Dr. Kuyperstraat en Koninginnegracht is de woonfunctie vrijwel geheel verdwenen ten behoeve van kantoren.

De herenhuizen aan de Koninginnegracht, die qua monumentaliteit en omvang aansloten op de 18de-eeuwse patriciërswoningen aan de Prinsessegracht, zijn vervangen door kantoorgebouwen. De oorspronkelijke parcelering is nagenoeg verdwenen. Aan de oneven zijde van de Laan van Roos en Doorn en aan een deel van de Houtweg is het beeld ingrijpend veranderd door appartementenbouw.

(Bron: Monumenten inventarisatieproject Den Haag 1850-1940. Den Haag 1992)

Meer weten? Lees ook:

E.M.C.M. Janson, De Archipelbuurt en het Willemspark. De geschiedenis van twee Haagse woonwijken. Den Haag 1977.
Archipel-Willemspark, wijkblad, 1971 jrg. 1 - (incompleet).


CENTRUM

Oude Vrouwen- en Kinderhuis aan het Spui, ca. 1865. IMF-nr.: 66065 Een groot deel van het Oude Centrum komt al voor op de oudste topografische kaart van Den Haag, die van Jacob van Deventer uit omstreeks 1545. Aan de rand van dit gebied lag destijds het Padmoes (op de plaats waar nu de Nieuwe Kerk staat). Het Padmoes, dat uitkwam op het Spui, vormde een van de armste delen van het dorp Die Haghe. Het was een buurt van krotten, gangen, stegen en sloppen, die een slechte reputatie genoot, ook al vanwege de prostitutie die hier gevestigd was. De dichter-predikant Johannes Vollenhove had er, na de bouw van de Nieuwe Kerk, weinig goede woorden voor over: "Weleer stond Padmoes hier, een slijknest, nutst vergeten ...". In 1649 werd de eerste steen gelegd voor de Nieuwe Kerk. Daarvoor moest het Padmoes grotendeels worden afgebroken.
De vestiging van de regeringsorganen van de jonge republiek gaf aan het eind van de 16e eeuw een belangrijke impuls aan de groei van Den Haag. Tussen de in 1614/16l5 gegraven Bierkade en de Nieuwe Kerk lag aanvankelijk nog uitsluitend weiland. Maar in 1618 begon de magistraat van 's-Gravenhage al met het aankopen van grond in dit gebied. Rond 1625 werd hier begonnen met de aanleg van de Amsterdamse Veerkade. Korte tijd later werden langs deze gracht erven uitgegeven, opdat hier 'bequaeme' huizen gebouwd zouden worden. Het is aannemelijk dat de Magistraat regels heeft gesteld ten aanzien van de standing en grootte van de huizen. De nieuwe gracht werd aangelegd met de bedoeling het toegenomen waterverkeer over het Spui te voorzien van voldoende aanlegplaatsen. In 1630 werd bepaald dat de markt- en veerschepen op Delft, Rotterdam en Amsterdam uitsluitend op de Amsterdamse Veerkade mochten laden en lossen. Dit maakte de Veerkade tot hét centrum voor het personen- en goederenvervoer. Dat de Amsterdamse Veerkade allure had blijkt wel uit het feit dat de 17e-eeuwse architect Pieter Post (bouwer van onder meer Huis ten Bosch) en de vermaarde geneesheer Hendrik van Deventer hier woonden.
De groei van Den Haag vertoonde in het algemeen een logisch patroon. Geleidelijk breidde de bebouwing zich vanuit het centrum in zuidelijke richting uit naar de singels en in westelijke richting naar de Prinsegracht en de Zuidwal. Verder ging men voorlopig niet. In het gebied ten westen van de Lange Beestenmarkt bleef bebouwing lange tijd schaars. Zelfs in de 19e eeuw bleven grote percelen aan de Zuidwal en het Buitenom onbebouwd. In 1640 werd de Amsterdamse Veerkade verlengd met de Stille Veerkade. Omstreeks hetzelfde jaartal werd de Nieuwe Groenmarkt (tegenwoordig de Grote Markt) vergroot. De aanvoer vanuit het Westland verbeterde door de aanleg van de naar Frederik Hendrik vernoemde Prinsegracht. Loodrecht op de zuidelijke singels werden de Boekhorststraat, de Lange Beestenmarkt en de Brouwersgracht aangelegd. De Prinsegracht kwam, heel rationeel, parallel aan de Bierkade en de Zuidwal te liggen. De nieuwe stadswijk vertoonde een heel afwisselend karakter. Tegenover de levendigheid van het Spui en de Amsterdamse Veerkade stond de deftigheid van de aanzienlijke huizen aan de Stille Veerkade, de Paviljoensgracht, de Anthonis Burgwal (nu Gedempte Burgwal) en de Prinsegracht. Bij het Spui kwam het levendige karakter van de wijk het sterkst naar voren. De Bierkade bijvoorbeeld bood dankzij de bierhandel een bedrijvige aanblik. Onder de bewoners trof men veel neringdoenden aan, maar ook de stadsarchitect Van Balckeneynde en de schilders Paulus Potter, Jan Steen en Jan van Goyen. Alleen aan de Bierkade mocht bier van buiten Den Haag worden verhandeld. Een dergelijke strakke reglementering van de handel was in die tijd niet ongebruikelijk in verband met de controle op de accijnzen. De toevoerfunctie van de Paviljoensgracht voor de Grote Markt zal na het graven van de Prinsegracht wel minder zijn geworden. De Amsterdamse Veerkade echter bleef met het Spui het belangrijkste centrum voor de beurtvaart, zoals de Wagenstraat voorlopig de toegangsweg bleef voor het verkeer over land. Vanzelfsprekend kwamen uit de verkeersfunctie allerlei andere activiteiten voort. Logementen als De Zeven Kerken van Rome bleven tot in de 20ste eeuw hun bekendheid houden. Een industriële traditie bestond hier ook. De namen Raamstraat en Voldersgracht herinneren aan de lakennijverheid, die hier in de l5e eeuw een bloeiperiode meemaakte. De Brouwersgracht en de Rode Leeuwstraat danken hun namen aan de bierbrouwerijen die hier in de 17e eeuw en later hebben gestaan. Ook de naam Glasblazerslaan verwijst naar een industrieel verleden. In het gebied rond de Voldersgracht en de St. Jacobstraat woonden veel joden. Bij verordening van 30 april 1627 werd de Voldersgracht toegewezen aan 'd'oude Cleer-, schoen-, clomp-, en out-ysercramers, operateurs, salffvercoopers en diergelijke'. Omdat joden van de gilden waren uitgesloten, waren zij vaak aangewezen op dit soort ongeregelde handel, zeker als het arme joden betrof.
De Groenmarkt met rechts 't Goude Hooft, ca. 1950. IMF-nr: 6031 De geleidelijke groei van Den Haag in de 17e en 18e eeuw werd plotseling sterk versneld in het midden van de 19e eeuw. De stadsuitbreiding hield hiermee aanvankelijk geen gelijke tred. Daardoor kwam het dat de bevolkingsdichtheid in Den Haag tussen 1729 en 1890 meer dan verdubbelde (van 220 naar 500 mensen per hectare). Deze opeenhoping van mensen en de daarmee gepaard gaande gebrekkige hygiënische omstandigheden waren natuurlijk weinig bevorderlijk voor een goed woonklimaat. De vervuiling van de grachten baarde het stadsbestuur al lange tijd zorgen. Nu echter liep deze volkomen uit de hand. Het nauwelijks stromende water moet een onbeschrijflijke stank hebben verspreid. Het was dan ook niet zo verwonderlijk dat burgemeester en wethouders in 1825 besloten twee grachten te dempen: de Lange Gracht (nu Gedempte Gracht) en de Anthonis Burgwal (nu Gedempte Burgwal), daar deze 'eene verzamelplaats van allerlei vuil' waren en 'door derzelvder uitwaseming de versche lucht' bedierven. Ook de vervuiling van de overige grachten werd een steeds nijpender probleem. Het heeft geleid tot de demping van het Spui met de oostelijke zijhavens, de Lutherse Burgwal, de Paviljoensgracht, de Brouwersgracht, de Prinsegracht, de Amsterdamse en de Stille Veerkade. Dit alles onder luid protest van belanghebbenden, zoals de afdeling 's-Gravenhage der Schippersvereeniging Schuttevaer. De dempingen, die ook het rooien van de karakteristieke bomenrijen met zich meebrachten, betekenden niet alleen een verlies van functies in de getroffen gebieden, maar ook een gevoelige aantasting van het uiterlijk karakter en de sfeer. Oude afbeeldingen zeggen hierover voldoende. Het verlies van de haven- en scheepvaartfunctie van de grachten is achteraf onvermijdelijk gebleken door de schaalvergroting in het scheepvaartverkeer en de opkomst van de moderne transportmiddelen. We moeten hierbij niet in de laatste plaats aan het treinverkeer denken. De opening van het H.IJ.S.M.-station in 1843 (Hollands Spoor) is voor de bedrijvigheid in de omgeving van groot belang geweest. In deze tijd won ook de Wagenstraat, die bijna recht op het station uitkomt, nog in betekenis als verkeersroute en winkelstraat. De bouw van de Schilderswijk betekende een belangrijke impuls voor de Boekhorststraat als aanlooproute en winkelstraat. Intussen bleek de achteruitgang van het woonklimaat in het Haagse centrum onstuitbaar. Ook de demping van de grachten heeft dit niet kunnen verhinderen. Het buitenwijkkarakter dat een deel van de wijk bezat ging door de explosieve bevolkingsgroei in de jaren na 1850 geheel verloren. Wie het kon betalen vertrok naar de nieuwe woonwijken met, vooral in de noordelijke uitbreidingswijken, representatieve en comfortabele woningen. Een groot probleem vormden de sloppen in de omgeving van de Gedempte Gracht. Saneringsplannen waren er wel, maar ze werden zelden ten uitvoer gebracht. Pas in 1924, toen de sloopwerkzaamheden voor de aanleg van de Grote Marktstraat al in volle gang waren, werd met de sanering een begin gemaakt. In 1937 werd het laatste krot aan de Sint Jacobstraat dichtgemetseld. De doorbraak van de Grote Marktstraat, die de oude buurt ging doorsnijden, was bedoeld om ruimer baan te geven aan het toenemende verkeer. Dat ten gevolge van deze doorbraak ook een aantal slechte woningen zou worden gesloopt was een bijkomend voordeel. Ongetwijfeld zal deze overweging van invloed zijn geweest op de keuze van het tracé.

© Haags Gemeentearchief

Meer weten? Lees ook:

Johan Schwencke, Oude Haagse Hofjes en Godshuizen. Zaltbommel 1975.
R.F. de Bock, De Haagse binnenstad - toen. Rotterdam 1972.
Het Binnenhof. Van grafelijke residentie tot regeringscentrum. Red. R.J. van Pelt en M.E. Tiethoff-Spliethoff. Dieren 1984.
T. Wijsenbeek-Olthuis (red.), Het Lange Voorhout; monumenten, mensen en macht. Zwolle 1998.
C.H. Peters, 'Een 'in memoriam' gewijd aan de Amsterdamsche Veerkade, de Stille Veerkade en de Paviljoensgracht te 's-Gravenhage.' In: Jaarboek Die Haghe 1902, 218-259.
I.B. van Creveld, De verdwenen Buurt; drie eeuwen centrum van Joods Den Haag. Zutphen 1989.
G. van Beek en M. van der Mast, Van ambachtelijk tot ambtelijk. Het Spuikwartier door de eeuwen heen. Den Haag 1978.
J. Riep-Nolten, A. Dalen Gilhuys en M.H.M. Marijs, Tussen Gortmolen en Buitenhof. De achterkant van oud-Den Haag. Den Haag 1983. Uitg. t.g.v. het 150-jarig bestaan van boekhandel W.P. van Stockum.
N. Brunt, Het huis in de Gortstraat. Kind in Den Haag. Amsterdam 1977.
Buurtschap. Een kroniek van zes eeuwen Voorhout- en Dennewegbuurt. Samenst. en red. J.P.A. van Ballegoijen de Jong. 2e herz. dr. Den Haag 1984.
J. Hagenees [ps. van J.L.T.A. Stahlecker], De Boekhorststraat en omgeving, een brok Haagse geschiedenis. Den Haag 1978.
De Papestraat in de loop der eeuwen. 's-Gravenhage 1978. Losbladige uitgave. Betr. o.a. Antiquariaat Loose.
D. Hoek, 'Tegenover de Leprozen. De geschiedenis van een buurt van 1461 tot 1681.' In: Jaarboek Die Haghe 1939, 112-207.
G. Rijven en M. Gémessy, Het Westeinde nabij. Lotgevallen van een Haagse straat. Den Haag 1982.
Wim de Koning Gans, Het Haagse Grachtenboek: de waterwegen van het centrum in oude foto's, 1855-1950, Den Haag 1999.


TRANSVAAL

Twee buitenplaatsen ten noorden van het Hofland vormden lange tijd de enige bebouwing ter plaatse: het kasteel Westerbeek, dat ongeveer was gelegen op de hoek van de huidige De la Reyweg en de Bothastraat, en de boerderij Engelenburg, die in de 18e eeuw met een groot herenhuis tot een buitenverblijf zou worden uitgebreid. Engelenburg was via de Loosduinseweg met een oprijlaan te bereiken en lag ter hoogte van de straat, waarin haar naam thans nog voortleeft. In 1900 moest dit buiten, waarvan de eerste vermelding in 1570 wordt gevonden, wijken voor de stadsuitbreiding.De Paul Krugerlaan met links de Pretoriusstraat, ca. 1935. IMF-nr.: 13820
Het meest markante gebouw van de twee was ongetwijfeld het kasteel Westerbeek, genoemd naar de gelijknamige beek, die ten zuidwesten van Den Haag loopt. In de "Korte en beknopte Beschryving van 's-Gravenhage", verschenen in 1767, staat Westerbeek als volgt omschre-ven: "Het legt rondsom in zyne graften en was voorhenen voorzien van 4 toorens met schietgaten tot bescherming en tegenweer. Thans heeft het enige lage zeskante toorentjes met spitse kappen die rondom een vierkant muurwerk staan, en op het dak is een vierkant toorenswys uitstek met een leuning omzet.....". Het huis moet zijn gebouwd in 1430 door Willem van Schagen, baljuw van Den Haag en raadsheer in het Hof van Holland. Hij was een natuurlijke zoon van Albrecht van Beieren, graaf van Holland, en Maria van Bronkhorst. In zijn lange geschiedenis kende het verscheidene belangrijke bewoners, onder wie de families van Seghwaert, Van Westerbeek en Slicher, waarvan een aantal leden hoge posten in Holland bekleedde.

In 1794 werd het huis Westerbeek op enige gebouwen na geheel gesloopt. Bij het huis behoorde ook een boerderij, die bekend stond als de hofstede Vittelervoorde en later de Haagwoning werd genoemd: deze lag iets ten zuiden van het kasteel, op de plaats waar de Scheeperstraat uitkomt op De la Reyweg. De naam Haagwoning is al aangetroffen in archiefstukken uit het begin van de zeventiende eeuw: de geschiedenis van deze boerderij gaat terug tot in de vijftiende eeuw. In de 19e eeuw is, aangrenzend aan en onder één dak met de Haagwoning het buitenverblijf "Mon Verger" gebouwd. In 1914 kocht de gemeente 's-Gravenhage de Haagwoning om deze in 1915 te laten afbreken.
Het Westerbeek-terrein werd tenslotte in 1895 door mevr. S.C. Heppener verkocht aan de N.V. Maatschappij tot exploitatie van onroerende goederen "Laan van Meerdervoort".
Eén van de bestuursleden van deze maatschappij, Mr. A.E.H. Goekoop, bezat een grote historische interesse en op zijn instigatie werden in de winter van 1896-'97 en 1897-'98 door een groep werklozen onder leiding van ir. J.F.R. van de Wall de fundamenten van het kasteel blootgelegd. Wat al uit oude afbeeldingen bekend was, werd door de opgraving nog eens bevestigd: het betrof een sterk kasteel, met een oppervlakte van 690 m², voorzien van zware hoektorens en omringd door een brede gracht.

De terreinen van de buitenplaats Engelenburg werden in 1896 door H.J.C. van Sonsbeek, weduwe van jhr. J.W.P. Diert van Melissant, verkocht aan de Haagsche Bouwgrondmaatschappij "Engelenburg". Beide bouwgrondmaatschappijen gingen voortvarend te werk met hun plannen tot bebouwing van het gebied. Zij dienden stratenplannen in, die in 1898 door de Gemeenteraad werden goedgekeurd. Het terrein waar de eerste bebouwing ontstond is het stuk omzoomd door De la Reyweg, de Steynlaan tot voor de Engelenburgstraat en de Loosduinsekade.
In de eerste jaren van deze eeuw werden hier de Paul Krugerlaan en haar zijstraten aangelegd. De straat kreeg al vrij snel het karakter van een drukke winkelstraat, waar in de jaren dertig zelfs markt werd gehouden. In veel gevallen nam de gemeente na jaren de op particuliere grond gelegen straten in eigendom over. Een citaat van F. Bordewijk in "Het Eiberschild" geeft een indruk hoe dit fantasieloze en grauwe gedeelte van de wijk omstreeks de jaren veertig op een buitenstaander overkwam: "Men kan zich niets schunnigers in opzet en uitvoering denken dan de straten afgetakt van de Paul Krugerlaan". Het doodlopen van de korte zijstraatjes van de Engelenburgstraat is een gevolg van het reeds ten tijde van de wijkaanleg aanwezige spoorwegem-placement. Al in 1886 namelijk startte de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij haar "spoortramweg" naar Scheveningen, die via het huidige tracé van tramlijn 11 van het station Hollandse Spoor naar Scheveningen leidde. In 1927 werd het personen- en goederenvervoer op deze lijn overgenomen door de H.T.M.
In die tijd lag aan de Loosduinsekade - gedeeltelijk op het terrein van het spoorwegemplacement - een haventje met sluizen. De vreemde knik in de Rozenburgstraat, de Groenesteinstraat en de Van Damstraat is hiervan nog een gevolg. Het terrein van het spoorwegemplacement heeft lange tijd plaats geboden aan een aantal bedrijven die van de Nederlandse Spoorwegen terrein huurden voor hun kolenhandel.
De bouw van dit noordelijke gedeelte van de Transvaalwijk, van de Loosduinsekade tot aan de Scheeperstraat, werd nog voor de Eerste Wereldoorlog gerealiseerd.

Ten tijde van de Eerste Wereldoorlog werd gestart met woningbouw in het gebied ten zuiden van de Scheeperstraat tot aan de Hoefkade. Er heerste in die tijd grote woningnood in Den Haag, die mede veroorzaakt werd door de komst van veel Belgische vluchtelingen en de reeds bestaande stroom van migranten naar de steden, waar de economische vooruitzichten iets beter leken dan op het platteland. De bebouwing in dit deel van de wijk was weliswaar ook zeer dicht, maar in tegenstelling tot het noordelijk deel zijn de binnenterreinen opengebleven. Bij verscheidene bouwblokken werden gemeenschappelijke tuinen aangelegd. De bouw werd grotendeels in handen gegeven van woningbouwverenigingen - onder andere De Goede Woning, Onze Hulp, Verbetering Zij Ons Streven en Patrimonium (Christelijk Werkliedenverbond) - en de woningen waren voornamelijk bedoeld voor de arbeidende klasse. Op oude foto's komt de verbondenheid van een deel van de wijkbewoners met de S.D.A.P. vrij duidelijk tot uiting in de verkiezingsleuzen, die voor deze partij op straat werden gekalkt. De wijk is rond 1930 voltooid.

In 1938 werd de algemene warenmarkt van de Prinsegracht, waar door het toenemende verkeer een onhoudbare situatie was ontstaan, verplaatst naar de Herman Costerstraat, toen nog het "uiteinde van de stad", zoals de zich verzettende marktkooplieden zeiden.
Het terrein tussen de Herman Costerstraat en de trambaan was in het uitbreidingsplan uit 1908 van H.P. Berlage gereserveerd voor het doortrekken van de Laakhaven tot aan de Loosduinsevaart. Verplaatsing van het verderop gelegen spoorwegemplacement bleek evenwel zo duur, dat het Laakkanaal uiteindelijk werd aangelegd langs de Troelstrakade en de Soestdijksekade. De markt heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot de grootste warenmarkt van ons land. De wijk heeft de naam "Transvaalkwartier" gekregen, nadat aan de nieuwe straten de namen waren gegeven, welke ontleend waren aan de Tweede Boerenoorlog in Zuid Afrika (1899-1902). Deze oorlog maakte veel indruk in Nederland, waar evenals in de meeste andere Europese landen veel sympathie bestond voor de strijd van de Boeren tegen Engeland.

Structurele en/of functionele veranderingen

Het noordelijk gedeelte van de wijk is tussen omstreeks 1901 en 1910 gebouwd voor de lage middenklasse. Naarmate dit gedeelte van de wijk ouder werd en onderhoud achterwege bleef, kwamen hier de mensen uit de laagste inkomenscategorie te wonen. Het noordelijk deel van Transvaal was urgentiegebied voor de stadsvernieuwing. Een deel van de bebouwing is vervangen door nieuwbouw; een groot gedeelte is gerenoveerd volgens een hoog renovatieniveau (ingrijpende wijzigingen) en een klein gedeelte volgens een laag renovatieniveau. In deze laatste categorie valt onder andere de bebouwing aan de Paul Krugerlaan, het Paul Krugerplein, de Steijnlaan en de Loosduinsekade. Er is daarnaast bebouwing gesloopt om dwarsverbindingen in lange straten te maken, speelplaatsen aan te leggen en doodlopende woonstraten te laten vervallen. De voortuintjes in de woonstraten zijn in de loop der tijd vrijwel alle verdwenen ten behoeve van parkeerplaatsen en het verbreden van de rijstrook. Bij de laatste renovaties is een aantal straten tot woonerf ingericht.

In het gedeelte ten zuiden van de Scheepersstraat is voornamelijk sociale woningbouw gerealiseerd. Hier wordt de meeste bebouwing gerenoveerd volgens een laag renovatieniveau.
Een aantal scholen en kerken is afgebroken ten behoeve van woningbouw.
De bedrijfjes in de wijk zijn verplaatst naar het bedrijventerrein aan de Monstersestraat of naar elders.
(Bron: Monumenten inventarisatieproject Den Haag 1850-1940. Den Haag 1992)

© Haags Gemeentearchief

Meer weten? Lees ook:

E. Habold, De bouw van Transvaalwijk. Leiden 1980.
Transvaal: onafhankelijk wijkblad voor Transvaal en Engelenburgbuurt, 1975 jrg. 1 - 1994, incompleet.


KORTENBOS

Inleiding

De nummers 128-134 van de straat Kortenbos in 1961. IMF-nr.: 609444Strak omsloten door zeventiende-eeuwse - deels gedempte - grachten, de Noordwal, de Lijnbaan en de Prinsegracht, en een twintigste eeuwse verkeersweg, de Jan Hendrikstraat en de Torenstraat, lijkt Kortenbos op het eerste gezicht een eenheid te vormen. Het Westeinde, dat het hele gebied doorsnijdt, vormt daarbij een extra bindende factor. Er zijn echter grote verschillen, zowel in ontstaan als in groei. Hoewel het gebied oorspronkelijk nauw aansloot bij de kern van Den Haag, kwam het voor het overgrote deel pas zeer laat tot ontwikkeling. Een ontwikkeling die de laatste 100 jaar echter zeer veel ingrijpende veranderingen te zien gaf.

Geest

Vermoedelijk lag in dit gebied een van de kernen van de boerennederzetting, die naar men veronderstelt het eerste begin heeft gevormd van het dorp Die Haghe. De loop van het Westeinde en van straten zoals de Geest en het Slijkeinde doen namelijk sterk denken aan de ringwegen die in de middeleeuwse nederzettingen langs de Hollandse kust de op de strandwallen gelegen gemeenschappelijke bouwgronden omsloten. Evenwel, toen het dorp Die Haghe vorm begon te krijgen, concentreerde de eerste bebouwing zich uitsluitend in het gebied dat - voor de doorbraak van de Torenstraat - nog direct bij de Grote Kerk aansloot. Rond 1500 stopte de bebouwing nog bij de Assendelftstraat en de Vleerstraat, gemarkeerd door een groot huis als dat van de heren Van Assendelft (ter hoogte van de Theresiakerk) en St. Barbara, op de hoek van de Assendelftstraat en het Westeinde.

Trage ontwikkeling

Tot in het midden van de l7de eeuw zou de lijn Assendelftstraat-Vleerstraat in feite de grens van de agglomeratie blijven vormen. De zwaartepunten van de Haagse ontwikkeling lagen elders: ten eerste rond het Binnenhof, het administratieve hart van provincie en republiek, en verder in het snel opkomende haven- en handelsgebied rond het Spui. Toch was er tegen 1650 al een randbebouwing ontstaan langs het Westeinde, dat fungeerde als uitvalsweg naar het Westland. Maar ter weerszijden van deze uitvalsweg hadden de terreinen achter de bebouwing nog een sterk landelijk karakter, met weiden, tuinen en bleekvelden. Wel waren zij door de aanleg van de grachtengordel in het begin van de l7de eeuw, begrensd en binnen het stedelijk gebied gebracht. Gemarkeerd door een aantal hoge korenmolens lag tussen de Noordwal en het Lage Westeinde het "Kortenbos". Het was oorspronkelijk een restant van de bosbegroeiing langs de kust, waarvan ook het Haagse Bos en Schakenbosch bij Leidschendam restanten zijn. Het was geen gewoon privé eigendom, maar werd sinds 1497 door de grafelijkheid als leen uitgegeven. In de l6de eeuw was het in bezit bij de in het Westeinde reeds bekende familie Van Assendelft, en werd in de l7de eeuw tenslotte door Cornelis Fannius in cultuur gebracht. Aan de andere zijde van het Westeinde had de ontwikkeling een zekere stimulans gekregen door het graven van de Prinsegracht. De plannen daarvoor hadden in 1639 vaste vormen gekregen. Merkwaardig genoeg was het motief dat hierbij werd uitgesproken eigenlijk hetzelfde dat later ook voor de demping zou worden gebruikt, namelijk de "verversinge" van de Haagse wateren! Natuurlijk speelden ook andere factoren een rol, zoals de aanvoer van groente vanuit het Westland en de ontwikkeling van een nieuwe, rationeel ontworpen en prestigieuze stadswijk. De naar prins Frederik Hendrik vernoemde Prinsegracht schiep in ieder geval ruimte voor de plaatsing van een aantal openbare gebouwen zoals de Boterwaag (1650), de Korenbeurs en het Tucht- of Spinhuis (1662-1663). Maar, al bouwden ook enkele leden van de Magistraat er hun woningen, veel animo toonden de deftige ingezetenen niet. Het hofje van Nieuwkoop (1661) bleef lange tijd geheel alleen staan, en pas in de l8de eeuw zou de Prinsegracht worden volgebouwd, zij het steeds met patriciërswoningen, zoals naar Amsterdams voorbeeld wellicht de bedoeling was geweest.

Volgebouwd

Pas in de l8de, en vooral in de l9de eeuw zouden de terreinen aan weerskanten van het Lage Westeinde helemaal worden volgebouwd. Tussen Westeinde en Noordwal werden de Geest, het Slijkeinde, het Kortenbos (d.w.z. de aldus genoemde straat), de Gedempte Sloot en het Ledig Erf (later de Bakkerstraat) bebouwd met merendeels goedkope woningen. Er ontstond een typische volkswijk. Het bleef trouwens nog lang een excentrisch gebied, waar tekenend genoeg nog in 1716 een begraafplaats was opgericht die pas in 1830 werd opgeheven. Het landelijk karakter verdween voorgoed in 1876 toen de laatste stukken van het oude leengoed Kortenbos verkaveld en bebouwd werden. Ook op de open terreinen aan de andere kant van het Westeinde werden veel goedkope volkswoningen neergezet; hofjescomplexen aan de Lage Nieuwstraat die door hun slecht leefklimaat in een zeer kwade reuk kwamen te staan. Daarnaast ontstond, vooral in de l9de eeuw, een aantal grotere gebouwen en complexen. Zij waren opmerkelijk genoeg voor een belangrijk deel van rooms-katholieke signatuur. De in de eerste helft van de l9de herbouwde kerken aan de Assendelftstraat en het Westeinde hadden trouwens al sinds de l7de eeuw een stempel op het gebied gedrukt. Zo kwam er in de Bleekerslaan een R.K. Oudeliedentehuis (1855) dat verbonden werd met het al eerder in de Warmoeziersstraat gestichte Weeshuis (1765), het ziekenhuis St. Johannes de Deo (1873) en aan de zijde van het Kortenbos, het scholencomplex van de St. Vincentiusvereniging (1846). Vleerstraat, gezien van het Slijkeinde naar het Westeinde
Datum opname: 01-03-1926Als resultaat van het hele ontwikkelingsproces was er hier tegen 1900 een dichtbevolkt en gevarieerd stadsdeel ontstaan, dat toen nog nauw bij de stadskern aansloot. Het Westeinde had daarbij nog een bijzondere betekenis als in- en uitvalsweg voor het Westland: de Westlandse Stoomtram had haar eindpunt aan de Lijnbaan. Mede door de expansie die Den Haag in de tweede helft van de l9de eeuw had doorgemaakt, was het Westeinde een levendige winkelstraat geworden. Maar ook de Vleerstraat had een bijzonder bedrijvig karakter.

Veranderingen

Zoals gezegd zou het probleem van de waterverversing het motief vormen voor de demping van de Prinsegracht. Deze vond plaats in twee fasen. Het deel tussen het centrum en de Brouwersgracht kwam in de jaren 1880-1881 aan de beurt en het resterende deel in 1902. Betekende dit op zich al een aanslag op het uiterlijk van deze eens zo geroemde gracht, de verkeerstechnische problemen zouden voor het hele gebied nog veel ingrijpender gevolgen hebben. Het Westeinde bleek op den duur voor het rijverkeer een steeds groter knelpunt. In 1912 besloot de Gemeenteraad dan ook tot een aantal doorgaande wegen door de binnenstad. Als resultaat werden in 1923-1924 de Jan Hendrikstraat en de Torenstraat verbreed, waardoor het Westeinde en omgeving zijn directe aansluiting met het stadscentrum verloor. Verder werd in dezelfde jaren de Grote Marktstraat aangelegd en werd tenslotte in 1935 langs de Lijnbaan een verkeersweg geconstrueerd. De Prinsegracht ging na de verhuizing van de markt in 1938 naar de Herman Costerstraat deel uitmaken van dit doorgaande wegenstelsel. Door het Westeinde kwam weinig verkeer meer, en toen uiteindelijk in 1957 de straat werd afgesloten voor verkeer in de richting van het centrum, betekende dat een definitief einde als invalsweg.
Was het Westeinde met zijn omgeving door deze ontwikkeling in een zeker isolement geraakt, de verkrotting van het woningbestand vormde een nog groter probleem. Al in de jaren twintig en dertig van deze eeuw had de Gemeente actief aan de sanering gewerkt. Bij de Zuilingstraat waren nieuwe woningen verrezen, terwijl de sloppen aan de Lage Nieuwstraat verdwenen voor de uitbreidingen van het R.K. ziekenhuis. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg de sanering een complicatie door het in de jaren vijftig ontwikkelde verkeerscirculatieplan, dat voorzag in een nieuwe weg die dwars door het hele gebied zou moeten lopen. Grootschaligheid beheerste het denken. De verordening Kortenbos (1961) behelsde de aanleg van twee brede ontsluitingswegen en open bouwblokken met vooral een bedrijfsbestemming. Gedempte Sloot nrs. 270-274, afbraak. Op de achtergrond flats aan de Sirtemastraat
Datum opname: 01-08-1978
fotograaf: Kempff, P.G.Daarnaast speelde de expansie van het Westeindeziekenhuis, waarvoor de planning werd neergelegd in een bestemmingsplan Lijnbaan (1968). Een en ander resulteerde voorlopig vooral in een geweldige kaalslag en wekte, zoals te verwachten was, bij bewoners en winkeliers veel weerstanden. Het Kortenbos lag er lange tijd troosteloos bij. In de jaren zeventig ging men zich vooral toeleggen op een rehabilitatie van Kortenbos als woongebied, zonder daarbij de relatie met de stadskern uit het oog te verliezen. Het idee van een dwarsweg is gelukkig in 1981 verlaten. Het nieuwe ziekenhuis is er gekomen en detoneert in veler ogen door zijn grootschaligheid. Aan de andere zijde van het Westeinde is gevarieerde woningbouw gerealiseerd en op de plaats van de vroegere straat Kortenbos is geen verkeersweg gekomen, zoals eerst was gepland, maar een buurtpark.

© Haags Gemeentearchief

Meer weten? Lees ook:

G.T. Langerak, Kortenbosch. Geschiedenis van een wijk. [Den Haag] 1984.
T. Morren, 'Het Kortenbosch.' In: Jaarboek Die Haghe 1900, 323-376.
R.A. Wuite, Het Kortenbosch: biografie van een Haagse arbeidersstraat, van 1648 tot 1873, Den Haag 1990.
Wijknieuws Kortenbos, 1987 jrg. 1 -


SCHILDERSWIJK

SCHILDERSWIJK-CENTRUM

De Jacob Catsstraat bij de Hoefkade, gezien naar de Hooftskade, ca. 1930. IMF-nr: 33253 Het tegenwoordig als Schilderswijk-Centrum aangeduide deel van Den Haag was in de Middeleeuwen nog een moerasachtig veengebied. Al in de 15e eeuw werd dit doorsneden door de Hofkade, waarvan de naam later tot Hoefkade werd verbasterd. De weg voerde langs een water vanaf het Zieken in westelijke richting naar het zogenaamde Hofland, het grafelijke weiland dat ter hoogte van de huidige Transvaalwijk lag. Ten noorden van de Hoefkade lag een terrein van de zusters van het aan de Laan gevestigde St. Elisabethklooster, en nadat een molen het veengebied was gaan bemalen ontstond een polder die de naam Zusterpolder kreeg. Tot in de 19e eeuw bestond het gebied rond de Hoefkade uit weilanden, die door sloten gescheiden werden, met de Zustermolen en de Gortmolen als herkenningspunten. Het gebied ten zuiden van de Hoefkade behoorde tot het ambacht van Rijswijk, en hier bevonden zich - ongeveer waar nu de Vaillantlaan loopt - tot circa 1895 een eendenkooi met kooikerswoning en een watermolen. Een prent uit 1757 laat zien dat op het land ten zuiden van de Zuidwal geschaatst werd. Volgens een stadsbeschrijving uit die tijd was dit het zogenaamde IJsveld, 'daar zich allerly soort van menschen in de winter, wanneer deze velden onder water staan, en het sterk gevrooren heeft op allerly wyze vermaaken'. Langs het tegenover de Zuidwal gelegen Groenewegje stonden toen al enkele huizen, verder was dit stadsdeel nog onbebouwd.
De opening van de spoorlijn Amsterdam-Den Haag in 1843 en de doortrekking naar Rotterdam in 1847 hadden consequenties voor het aangrenzende gebied. De weg langs de spoorlijn naar Rotterdam, de Parallelweg, vormt nu de zuidgrens van de Schilderswijk. De bouw van het station van de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij (nu Hollandse Spoor geheten) leidde tot de overdracht door Rijswijk aan Den Haag van de grond tussen de Hoefkade en de Laak. Omdat het voornamelijk om weilanden ging, verliep dit zonder problemen. Het nieuwe station had de aanleg van de Stationsweg tot gevolg, die met de Huijgensstraat omstreeks 1860 bebouwd werd. Van officiële uitbreidingsplannen was toen nog geen sprake. Het initiatief om aan de zuidkant van de stad een echte wijk te bouwen werd in 1862 door de gemeente genomen. Achter het Groenewegje, waaraan in hetzelfde jaar al de Brood- en Meelfabriek was komen te liggen, werd het Oranjeplein aangelegd, een groot plein met een plantsoen in het midden. Rondom dit plein werden volgens de eisen van de gemeente voorname huizen opgetrokken. Aan de nabijgelegen Tullinghstraat, Falckstraat en Hoefkade kwamen vier openbare lagere scholen. Verder liet de gemeente de aanleg van de nieuwe wijk grotendeels over aan het particulier initiatief. Terwijl het Oranjeplein bedoeld was voor de gegoede burgers, vestigden zich in de omliggende straten 'kleine burgers' en ambachtslieden. In de op het plein uitkomende Van Hogendorp- en Van der Duynstraat werden in 1863 en volgende jaren zelfs arbeiderswoningen gebouwd door de Vereeniging tot Verbetering der Woningen van de Arbeidende Klasse te 's-Gravenhage. Aan de Hooftskade werd in 1867 het nieuwe weeshuis van de Nederlands Hervormde Diaconie in gebruik genomen. Eerdergenoemde woningbouwvereniging bouwde in 1874 tussen de Poeldijksestraat en de Jan Blankenstraat het 'Rode Dorp'. Deze arbeiderswoningen werden neergezet langs twee haaks op de Hoefkade gelegen 'laantjes'. Al met al verloor de buurt rond het Oranjeplein zijn aantrekkingskracht voor de beter gesitueerden.
Rond 1870 ontstond een grote vraag naar goedkope huizen, doordat velen van het platteland naar de steden trokken om daar werk te zoeken. Het inwonertal van Den Haag ontwikkelde zich tussen 1875 en 1900 dan ook van circa 100.000 tot meer dan 200.000. De nabijheid van de pletterij van Enthoven, de ijzergieterij De Prins van Oranje en de meubelfabriek Horrix zal er toe bijgedragen hebben dat in de Zusterpolder veel arbeiders gingen wonen. Het tijdschrift Eigen Haard schreef in 1890 echter, dat in de Schildersbuurt 'niet opzettelijk werd voorzien' in de woningbehoefte van de arbeider. Hierbij werd gedoeld op de voor de arbeider te hoge huurprijzen van de aan de straat gelegen huizen in deze wijk, die dus kennelijk bedoeld waren voor de kleine burgerij. De arbeider moest zich tevreden stellen met een gedeelte, meestal één kamer, van een dergelijk huis, of met een kleine hofjeswoning 'in het midden der stad'. Dat het Eigen Haard ontgaan was, dat dergelijke hofjeswoningen in de Schilderswijk ook royaal voorhanden waren, zal wel gelegen hebben aan de obscure ligging ervan op de binnenterreinen van huizenblokken. De minimale woonomstandigheden die daar heersten, waren te wijten aan het gebrek aan bouwvoorschriften van de gemeente. Pas in 1878 was voor hofjeswoningen een bouwvergunning vereist, terwijl het na 1892 in principe verboden was huizen te bouwen die niet aan de straat lagen. Het gebied Schilderswijk-Centrum was toen echter al voor een belangrijk deel volgebouwd. Zolang de binnenterreinen nog bebouwd mochten worden, werden aan de straten meestal huizen gebouwd met twee lagen en een kapverdieping. Nadien ging men er meestal toe over de binnenterreinen kleiner te maken en de huizen één verdieping hoger. De meeste huizen hadden twee voordeuren, om dubbele bewoning mogelijk te maken. De benedenhuizen werden vaak voorzien van een uitbouw, bestaande uit een uitgebouwde keuken met daarachter een slaapkamer of twee of drie slaapkamers boven elkaar. Vanaf circa 1900 werden ook portiekwoningen gebouwd, waarbij de bovenwoningen via een buitentrap bereikbaar waren. In Schilderswijk-Centrum vinden we deze slechts in de kort na de eeuwwisseling bebouwde driehoek Jacob Marisstraat-Vaillantlaan-Hoefkade. De meeste bouwers in de wijk hadden er belang bij zoveel mogelijk opbrengst te krijgen van hun grond. De 'speculatiebouw' die hiervan het resultaat was bestond uit slechte, dicht op elkaar gebouwde huizen. Johan Gram, die al geen goed woord over had voor de Zeehelden- en de Archipelbuurt, schreef hierover in 1893 'Nog erger is het gesteld met de buurt waaraan de namen onzer groote schilders geschonken zijn: Rembrandt-, Jan Steenstraten, waar de cartonnen cubussen zoo dun en luchtig zijn, dat wie zijne gezondheid en zijn leven lief heeft, zich ongaarne in zulks een tochtig en vochtig steenklompje nestelt'. De Paulus Potterstraat was overigens de eerste straat in de wijk die de naam van een schilder kreeg. Omdat het huis aan de Dunne Bierkade waar Paulus Potter van 1649-1652 woonde uitzicht gaf over de Hoefkade, en de te vernoemen straat daar een zijstraat van was, stelde de Vereeniging tot Beoefening van de Geschiedenis van 's-Gravenhage in 1876 B&W voor deze Paulus Potterstraat te noemen. Toen in het jaar daarop enkele naburige straten vernoemd moesten worden, vroegen B&W aan de V.B.G.G. om daarvoor ook de namen van beroemde schilders voor te stellen.
Naast de particuliere bouw werden nog sociale woningbouwprojecten gerealiseerd, zoals de Van Ostadewoningen, het Fort aan de Jacob van Campenstraat en omliggende straten en de Delpratwoningen. Wat betreft kwaliteit en huurprijs staken deze woningen gunstig af in de wijk. Het woonklimaat in de Schilderswijk was mede slecht door het gebrek aan groen; alleen het Oranjeplein kende een groenvoorziening. Toch liet de gemeente in de eerste jaren van deze eeuw de gelegenheid voorbijgaan om nog een park in of bij de wijk aan te leggen. Gezien de slechte woonomstandigheden is het niet verwonderlijk dat wie zich een beter huis elders kon veroorloven al gauw verhuisde uit de wijk. Hierdoor werd de Schilderswijk steeds meer een arbeidersbuurt, terwijl de uittocht in de jaren '30 zelfs tot leegstand leidde. De in en na de Tweede Wereldoorlog heersende woningnood zorgde er daarentegen wel voor dat ook de slechtste woningen bewoond werden. Het op grote schaal voorkomende achterstallige onderhoud bij de toch al niet zo degelijke huizen maakte na 1980 een sanering van de Schilderswijk onafwendbaar.

© Haags Gemeentearchief

Meer weten? Lees ook:

Een nieuwe Haagsche volkswijk. Eigen Haard jrg.16 (1890) no. 29, blz. 457-460.
Mast, M. van der, Den Haag binnenste buiten. In: Haagse hofjes, Leiden 1982, blz. 78-92.
Dirkzwager, J.M., In Den Haag daar woont niet alleen een graaf. Delft, 1979.
'De sanering van de Schilderswijk.' In: 's-Gravenhage 28 (1973), afl. 5.
'Structuurschets voor de Schilderswijk.' In: 's-Gravenhage 29 (1974), afl. 11.
J. Duivesteijn, Kijk op de Schilderswijk. Geschiedenis van een arbeiderswijk. Den Haag 1984.
Fotoboek Schilderswijk. Deelgebied 8. Den Haag 1980.
J. de Lange, Hartelijke groeten uit de Schilderswijk. 's-Gravenhage 1985.
J.W.M. Klomp, 'Om en Bij.' In: Jaarboek Die Haghe 1957, 43-75.
M. Silvester, De Van Ostadewoningen; het ontstaan van een dorp in de Schilderswijk. In: Jaarboek Die Haghe 1992, 75-88.
Ernst Molenaar (samensteller), Een kwart eeuw Bewonersorganisatie Oranjeplein-Schilderswijk (1974-1999), Den Haag 1999.
De Schilderswijker: onafhankelijk wijkblad voor Schilderswijk en Kortenbosch, 1971-1984.


SCHILDERSWIJK-WEST

De Hobbemastraat, juni 1936. IMF-nr.: 29945 Het westelijke deel van de Schilderswijk wordt in het noorden begrensd door de Loosduinsekade, de Zoutkeetsingel en de Houtzagerssingel; in het oosten door het Om en Bij, de Hobbemastraat en de Vaillantlaan en de zuid- en westgrens worden gevormd door het tracé van tramlijn 11. In dit gebied vinden we het oudste gedeelte van de hele Schilderswijk, het Om en Bij en de Paulus Potterstraat, stammend uit respectievelijk 1840 en 1876. Lang voordat er van bebouwing sprake was, behoorde dit gebied tot het bezit van het St. Elisabethsklooster, dat stond waar nu de Grote Markt is. Naar de zusters van dit klooster werd de Zusterpolder genoemd; de Zusterstraat herinnert er eveneens aan. De polder liep tot aan de Hoefkade in het zuidoosten en de De la Reyweg, vroeger ook Moerweg genoemd, in het zuidwesten. Behalve grasland en sloten was er weinig te vinden. Midden in de polder, waar nu de Hobbemastraat en de Netscherstraat elkaar kruisen, stond de Zusters Wipmolen, die diende voor de ontwatering van het gebied. Even ten zuiden van de Hoefkade (Frans Halsstraat), in de Noordpolder die tot 1844 onder Rijswijk viel, lag een eendenkooi, niet te verwarren met die in het Zuiderpark. Een weggetje leidde van hier naar de stad. Bij het gedeelte van dit paadje dat uitkwam op de singelgracht hadden schaapherders tot in de tweede helft van de negentiende eeuw hun schaapskooi. Zij dreven hun kudde van hier via de Zoutkeetsingel en de Schapenlaan naar het Dekkersduin. Naar hen, en naar de laatste schaapherder Leendert Cornelis Dorresteijn in het bijzonder, werd dit weggetje de Herderslaan genoemd. Voor de rest trof men aan de Loosduinsekade en ter hoogte van de Wateringsestraat enkele moestuinen aan. Alleen in het hoekje tussen de Houtzagerssingel en het Om en Bij was een stukje grond te vinden dat meer was dan alleen een tuin. Hier had Theunis Claesz. van Straeten in 1658 'seecker partije lants' gekocht. Hij maakte van zijn land een tuinderij en enkele jaren later bouwde hij er een huis op. Na zijn dood erfden zijn kinderen de tuinderij, maar uiteindelijk verkochten zij deze in 1718 aan mr. Otto Frederick Houttuyn, advocaat van het Hof van Holland. Houttuyn verbouwde het tuindershuis tot een buitenhuis met een tuinmanswoning en bracht er met zijn gezin de zomers door. De gehele achttiende eeuw woonden er aanzienlijke en gefortuneerde Hagenaars op Om en Bij. In de Franse tijd liet de toenmalige eigenaar, schout-bij- nacht Jan Schreuder Haringman het huis echter afbreken. Dat deden velen, omdat de onderhoudskosten en de belasting in die tijd zeer hoog waren. In 1840 verkocht de laatste eigenaar van de buitenplaats het gebied aan de Commissie van Algemeen Beheer tot aanbouw van armenwoningen te 's-Gravenhage. Deze commissie, die nauw verbonden was aan de diaconie van de Hervormde gemeente, had het plan opgevat op deze plaats een aantal huisjes neer te zetten en die aan de diaconie te verhuren. De diaconie zou dan als bedeling deze huisjes gratis toewijzen aan hervormde Hagenaars, waar geen smetje aan kleefde en die al minstens twee jaar van de bedeling leefden. Het plan werd in 1841 verwezenlijkt en 120 woningen in 5 rijen van 24 kwamen beschikbaar. Tot 1868 mochten de bedeelden er gratis wonen. Daarna moesten ze f 1,20 per week aan huur betalen. Waren aan de toelating al eisen verbonden, als de gelukkigen eenmaal in hun huisje woonden werden ze bovendien streng in de gaten gehouden door de kwartierdiaken en een van de andere bewoners, de opzichter genaamd, die alle voorvallen moest doorvertellen aan de diakenen en een lid van de Commissie. Bij wangedrag werd de bewoner uit zijn huisje gezet. In de directe omgeving van dit hofje bouwde de diaconie meer sociale inrichtingen. AI in 1855 verrees het Oude Mannen- en Vrouwenhuis aan het Om en Bij en daarnaast een jaar later de diaconale bakkerij. Tevens vond in 1877 de opening plaats van de Van Doeverenstichting voor gehuwde bejaarden. Ten slotte werd het hofje zelf in 1882 uitgebreid met nog een rij van twaalf huisjes. Om het beeld van dit hervormde hoekje te completeren vermelden we dat de diaconie in 1867 aan de Hooftskade, die net buiten dit stadsvernieuwingsgebied valt, een nieuw hervormd weeshuis bouwde ter vervanging van het oude aan het Spui, tegenover de Bierkade.
Inmiddels hadden allerlei speculanten zich van de wijk meester gemaakt. Grondeigenaren, huizenbouwers en geldschieters trachtten met zo klein mogelijke investeringen een zo groot mogelijke winst te behalen. Dat dit meestal ten koste van de kwaliteit van de huizen ging, spreekt haast vanzelf. Veel ondernemers werden aangelokt om zelfs zonder enige kennis van zake huizen te gaan bouwen. Vaak gingen ze ten gronde aan de te hoge kosten die verbonden waren aan een voor die tijd revolutionair systeem van financiering - vandaar de naam revolutiebouw - en de door gebrek aan bouwvakkers stijgende loonkosten. In de volksmond heette de Vaillantlaan daarom ook wel Faillietlaan. De gemeente bemoeide zich alleen met de bouw van huizen die aan de straat lagen. Wat op de terreinen achter de huizen gebouwd werd, ging haar lange tijd niet aan. Pas in 1892 werd het bouwen van hofjeswoningen, zoals die in de Paulus Potterstraat, verboden, maar toen was een flink deel van de wijk al gebouwd. Op de overige bouwterreinen verrezen geen hofjeswoningen meer, maar men probeerde de beschikbare grond toch zo voordelig mogelijk te benutten door uitbouwen of bedrijfsgebouwen op de achterterreinen tussen de rijen huizen te proppen. Voorbeelden van deze bouwtrant zijn te vinden aan de Hobbemastraat en aan de Honsholredijkstraat. Pas omstreeks de eeuwwisseling ging men over tot het bouwen van portiekwoningen met hun karakteristieke gemeenschappelijke buitentrap voor de bovenwoningen. Vooral in de Delftselaan en de 's-Gravenzandelaan treffen we dit type woningen aan. Gelukkig waren er ook bouwers die niet alleen op winst uit waren. Vooral woningbouwverenigingen probeerden, meestal met een fraai idealistisch doel, arbeiders aan goede woningen te helpen. De Coöperatieve Woningbouwvereniging 'Vooruit' bouwde aan de Jacobastraat in 1882 arbeiderswoningen van een redelijke kwaliteit met als doel dat de bewoners op den duur zelf, eigenaar zouden worden van hun woning. Zo zouden zij niet vatbaar zijn voor 'het thans heerschende socialisme'. De bewoners zijn echter nooit eigenaar van hun huizen geworden.
Woningbouwverenigingen die zonder winstoogmerk wilden bouwen kregen pas in 1902, bij het in werking treden van de Woningwet, een kans. De overheid verleende deze verenigingen de benodigde gelden, zolang zij maar het belang van de volkshuisvesting op het oog hadden en geen winst tot doel hadden. Het laatste stukje Schilderswijk, gelegen tussen de Hoefkade, Vaillantlaan en Parallelweg is door deze verenigingen volgebouwd. Het is dan ook meteen het kwalitatief beste stukje, met goede huizen en met groenvoorziening in de vorm van de grote gemeenschappelijke tuin annex sportterrein aan de Vermeerstraat. Veelal waren de huren van deze woningen voor de meeste mensen te hoog, doordat in de jaren 1918-1922 de bouwkosten door de naweeën van de Eerste Wereldoorlog enorm gestegen waren.
In een typische arbeidersbuurt als de Schilderswijk was het niet verwonderlijk dat daar ook een groot aantal bedrijfjes en bedrijven gevestigd was. De arbeidskrachten waren in ruime getale voorhanden. Van de grote bedrijven in Schilderswijk West was de broodbakkerij van de Volharding een hele bekende. In de Paulus Potterstraat stond de eerste bakkerij, daterend van 1879. Later, in 1903, verrees aan de Delftselaan een veel groter gebouw, dat in de jaren zeventig plaats moest maken voor woningbouw. Eveneens verdween toen de houtzagerij van K. Dekker Gzn. aan de Houtzagerssingel. Dekker had in 1894 de oude en vervallen schaapskooi van Dorresteijn gekocht met het omliggende gebied en vestigde daar zijn bedrijf, na eerst aan de Loosduinsekade gevestigd te zijn geweest. Nu zijn de loodsen omgebouwd tot sport- en recreatieruimten, de Houtzagerij genaamd.

© Haags Gemeentearchief

Meer weten? Lees ook:

Een nieuwe Haagsche volkswijk. Eigen Haard jrg.16 (1890) no. 29, blz. 457-460.
Mast, M. van der, Den Haag binnenste buiten. In: Haagse hofjes, Leiden 1982, blz. 78-92.
Dirkzwager, J.M., In Den Haag daar woont niet alleen een graaf. Delft, 1979.
'De sanering van de Schilderswijk.' In: 's-Gravenhage 28 (1973), afl. 5.
'Structuurschets voor de Schilderswijk.' In: 's-Gravenhage 29 (1974), afl. 11.
J. Duivesteijn, Kijk op de Schilderswijk. Geschiedenis van een arbeiderswijk. Den Haag 1984.
Fotoboek Schilderswijk. Deelgebied 8. Den Haag 1980.
J. de Lange, Hartelijke groeten uit de Schilderswijk. 's-Gravenhage 1985.
J.W.M. Klomp, 'Om en Bij.' In: Jaarboek Die Haghe 1957, 43-75.
M. Silvester, De Van Ostadewoningen; het ontstaan van een dorp in de Schilderswijk. In: Jaarboek Die Haghe 1992, 75-88.



STATIONSBUURT

Waterbassin op het Oranjeplein, september 1954. Foto: Friezer. IMF-nr.: 53142 De Stationsbuurt is gebouwd in het meest oostelijk gelegen deel van de Zusterpolder. De begrenzing aan de oostzijde wordt gevormd door het Zieken, dat zijn naam kreeg doordat aan deze kade vanaf het midden van de 15de eeuw het Leprooshuis was gevestigd. De melaatsen of leprozen die dit ommuurde complex bewoonden, hadden tot het einde van de 16de eeuw de kade van het Zieken als wandelgebied. Omdat er verder geen verkeer was toegestaan, zocht dit zich westelijk van het Leprooshuis een weg. Op die manier ontstond de 'Bocht van Guinea' als verbinding tussen de 'Straatweg naar Rijswijk' en de Wagenstraat. De openstelling van het Zieken voor verkeer in 1592 betekende ook dat er voortaan schepen mochten aanleggen. Zo legden in de 18de eeuw de trekschuiten naar Delft aan bij de Stadsherberg aan het Zieken, vlak bij het Groenewegje.
Het nabijgelegen Leprooshuis kende al vanaf het midden van de 17de eeuw geen melaatse bewoners meer, omdat de ziekte in deze contreien verdwenen was. Het huis bood toen nog uitsluitend onderdak aan 'proveniers', die zich voor een fors bedrag hadden ingekocht om zich te verzekeren van een verzorgde oude dag.
Lange tijd vormden de huizen aan het Groenewegje, de Bocht van Guinea en het Zieken de enige bebouwing in dit verder uit weilanden bestaande stadsdeel, dat buiten de singelgrachten lag. Nadat het nog als kazerne in gebruik was geweest, werd het Leprooshuis in 1826 afgebroken. Waar de tuin ooit lag werd in 1828 het wachtje gebouwd voor het innen van de stedelijke accijnzen. Later vonden in dit gebouwtje, dat als Paviljoen nog steeds een gezichtsbepalend element is voor het Rijswijkseplein, de koepokinentingen plaats. In 1843 kwam aan de rand van de huidige Stationsbuurt het eindpunt te liggen van de spoorlijn Amsterdam-Den Haag. Het hier door de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij neergezette stationsgebouw lag eerst nog te midden van de weilanden en bovendien op het grondgebied van Rijswijk. In 1844 werd een grenswijziging overeengekomen, waarbij het gebied tussen de Hoefkade en de Laak Haags grondgebied werd. Het station won aan belang door de opening van de lijn naar Rotterdam in 1847. Een verdere bebouwing van de omgeving kwam er echter pas vanaf ongeveer 1858, toen de Stationsweg het station met de Wagenstraat was gaan verbinden. Aan de Stationsweg en de Huijgensstraat werden toen deftige huizen gebouwd. Tussen de Huijgensstraat en de Bocht van Guinea werd in 1860 een park aangelegd.
Het uitbreidingsplan voor het Oranjeplein en omgeving gaf in 1862 de aanzet tot een verdere verstedelijking van dit gebied. Tussen het Oranjeplein en de Stationsweg ontstonden drie straten, de Van Limburg Stirum-, Van Hogendorp- en Van der Duynstraat. De deftige bebouwing van het Oranjeplein waaide slechts over naar een gedeelte van de Van Limburg Stirumstraat. In de beide andere straten, waartussen al het 'Hofje van Heusde' lag, zag de Vereeniging tot Verbetering der Woningen van de Arbeidende Klasse te 's-Gravenhage kans grond aan te kopen. De Vereniging bouwde hier van 1863-1866 112 arbeiderswoningen in blokken van vier huizen, en van 1868-1869 nog eens 56. Het hier toegepaste woningtype oogstte nationaal en internationaal lof, omdat er sprake was van een voordelig gebruik van de grond, terwijl ieder huisje toch aan twee zijden ramen had.
In een huis aan de Bocht van Guinea werden in 1872 de weduwe Van der Kouwen en haar dienstmeisje vermoord door Hendrik Jacobus Jut, wiens naam nog voortleeft in de bekende kermisattractie 'de kop van Jut'. Door de geruchtmakende moord kreeg de naam Bocht van Guinea zo'n ongunstige klank, dat hij op verzoek van bewoners in 1873 werd veranderd in Huijgenspark. Het noordelijke gedeelte van de Stationsbuurt was rond 1871 grotendeels volgebouwd. Het zuidelijke deel kreeg pas later de huidige vorm. Zo werd aan de zuidkant van de Van Limburg Stirumstraat wel in 1888 de R.K. Jozefkerk in gebruikgenomen, maar bleef deze straatkant verder nog onbebouwd. Het gebied tussen het Station H.S., waar rond 1888 het gebouw uit 1843 werd vervangen, en de Hoefkade-Oranjelaan werd grotendeels in beslag genomen door twee grote fabrieken, de Meubelfabriek Anna Paulowna van de gebroeders Horrix en de IJzergieterij De Prins van Oranje, waar de naam Oranjelaan nog aan herinnert.
In respectievelijk 1890 en 1897 verdwenen beide industrieën van het toneel. Tussen circa 1893 en 1906 kwam hier bebouwing tot stand in straten als de Kraijenhoffstraat, Jan Blankenstraat en Hofwijckstraat. In tegenstelling tot de eerder in de wijk gebouwde deftige huizen ging het nu om voor de 'kleine burgers' bedoelde herenhuizen van drie woonlagen, die doorgaans waren gesplitst in boven- benedenwoningen. Voor arbeiders was vaak slechts een kleiner gedeelte van een dergelijke woning financieel bereikbaar. Omstreeks 1914 'saneerde' de N.V. Maatschappij 'De Zuidzijde' de bebouwing tussen het Groenewegje en de Van der Duynstraat. Hierbij verdwenen enkele hofjes, terwijl twee nieuwe straten werden aangelegd en bebouwd, de Abraham Amptstraat en de Repelaerstraat, die toen nog Faber van Riemsdijkstraat heette. De Vereeniging tot Verbetering der woningen van de Arbeidende Klasse ging in 1931 over tot de afbraak van de 112 oudste arbeiderswoningen in de Van der Duynstraat en de Van Hogendorpstraat, omdat ze niet meer aan de eisen van de tijd voldeden. Er kwamen 84 portiek etagewoningen voor in de plaats, die zelfs centrale verwarming kregen. Helaas was er aan deze woningen nu zoveel verbeterd, dat de navenant hogere huurprijs voor de meeste arbeiders niet was op te brengen.
De meer recente geschiedenis van de Stationsbuurt kent nogal wat grootschalige nieuwbouwprojecten. Zo betrok de Dienst der Gemeentewerken in 1955 een nieuw kantoorgebouw op de hoek van het Groenewegje en het Zieken, een plek waar al in 1637 de Gemeentewerf was gevestigd, die beschouwd kan worden als een voorloper van deze dienst. Groenewegje, gezien naar het Spui; rechts op de achtergrond het nieuwe gebouw van Gemeentewerken
Datum opname: ca. 1960Nu is Gemeentewerken onderdeel van de Dienst Stadsbeheer en het trotse hoofdkantoor heeft in de jaren negentig alweer plaats moeten maken voor een modern wooncomplex van de architect Charles Vandenhove.
De strategische ligging van de Stationsbuurt ten opzichte van het openbaar vervoer maakt nog steeds het vestigen van bedrijven en kantoren in de wijk aantrekkelijk. Het eens vermaarde Hotel Terminus tegenover het Station H.S. werd bijvoorbeeld in 1975 gesloopt en vervangen door een kantoorgebouw. De in hetzelfde jaar afgebroken St. Jozefkerk maakte plaats voor een verzorgingstehuis. Een in 1981 vastgesteld bestemmingsplan richt zich er op de woonfunctie van de wijk te behouden en zelfs te versterken. Hiertoe moeten in slechte staat verkerende woonhuizen gerenoveerd of gerestaureerd, en bouwvallige woningen worden gesloopt en herbouwd. Het gebied tussen het Rijswijkseplein en de Stationsweg heeft inmiddels een complete gedaanteverwisseling ondergaan.

© Haags Gemeentearchief


RIVIERENBUURT

De Pletterijkade met de fabriek (pletterij) en de woning van de familie Enthoven, ca. 1890. IMF-nr.: 57128 Lange tijd is dit stukje Den Haag een landelijk gebied buiten de bebouwde kom geweest, dat voornamelijk bestond uit weilanden en rietvelden en later ook moestuinen met wat bebouwing. Pas na 1850, toen de stad werd uitgebreid buiten de omstreeks 1600 gegraven singelgrachten, ontstond het grootste deel van de huidige wijk. Alleen het gedeelte tussen de Ammunitiehaven en de Zuid-Oost-Buitensingel (later Uilebomen en Oranjebuitensingel genoemd) dateert van voor 1850. In de vijftiende en zestiende eeuw was het vrouwenklooster Sinte Maria in Galilea, dat zich in 1463 had gevestigd achter de huizen van het Spui en de Poten, de belangrijkste eigenaar van de polderweiden achter het kloostergebouw tot aan de grens van Voorburg. De Coman Willemslaan, die vanaf het Plein via de huidige Korte Houtstraat, de Nieuwe Haven en de Pletterijkade toegang verleende tot deze landerijen stond dan ook al snel bekend als "suster laen". Omdat deze doodlopende weg nogal slecht begaanbaar was en er bovendien 'dode beesten ende andere stinckende vuylnissen' werden gestort kregen de zusters in 1483 toestemming de laan met een hek af te sluiten daar waar de bebouwing ophield. Evenwijdig aan de Coman Willemslaan en op ongeveer 25 meter afstand van de Haagsche Vaart (de tegenwoordige Trekvliet) lag een polderdijk, die in 1442 was opgeworpen en die ook wel 't Laentje nae Voorburgh werd genoemd. Om die te bereiken moest men even voorbij de blekerijen aan weerszijden van de Coman Willemslaan rechtsaf de kade van het kloostervaartje inslaan. Dit vaartje werd voor de bevoorrading van het klooster gebruikt en maakte een schuine bocht voordat het uitmondde in het Spui. Die bocht was tot voor kort nog terug te vinden in de nu gedempte Ammunitiehaven, die later op die plaats werd gegraven. Bij de bocht gekomen kon men linksaf de polderkade op en langs de drassige vlietlanden tussen de Haagsche Vaart en deze dijk bereikte men tenslotte Voorburg na eerst nog het sluisje in de Scheyink, het grenswater tussen Den Haag en Voorburg te zijn gepasseerd. Later werd Scheyink verbasterd tot Schenk of Schenkwetering waarvan namen als Weteringkade en Schenkkade werden afgeleid.
De vlietlanden, die oorspronkelijk waren bedoeld om eventuele overstromingen te voorkomen, werden na verloop van tijd opgehoogd en geschikt gemaakt voor groenteteelt. Enkele tuinen waren in handen van particulieren en de overige werden door het klooster in erfpacht uitgegeven. Overal verschenen nu moestuinen en tezamen met de met bomen beplante polderkade vormde dit een hoogst aantrekkelijk geheel. Tot dan toe waren het handwerkslieden en kooplui geweest die de tuinen bezaten, maar ook de ambtenaren van het Hof kregen nu belangstelling. Klaes Beukelaer, advocaat bij het Hof van Holland, bezat in 1537 een moestuin vlakbij het kloostervaartje. Claes Jansz. Persyn, rentmeester van het Exploit, kocht enkele jaren later een tuin ernaast en zette er een huis neer. Toen beiden hun bezit wilden vergroten en de polderkade verlegd moest worden, kregen zij daar in 1548 zonder meer toestemming voor. Het achterste stuk van de polderkade, daar waar nu de Geleenstraat loopt, werd zo'n zeventig jaar later eveneens verlegd en stond in het begin van de zeventiende eeuw bekend als het Geldelooze pad, waarschijnlijk omdat men hier geen tol hoefde te betalen. Ook Beukelaer bouwde nu een huis in zijn tuin. Rond dit met trapgevels versierde huis plantte de advocaat een groot aantal bomen. Na de dood van Beukelaer in 1555 breidde Persyn nog enkele malen zijn tuin uit. Maar die van Beukelaer was toch de meest idyllische. Toentertijd stonden het huis en de tuin bekend onder de naam het Lammeken in 't Groen. Deze naam werd later overgenomen door een in de buurt gelegen blekerij, waaraan het huidige Lamgroen zijn naam ontleent. In 1615 besloot Jacob van Dyck, gezant van de koning van Zweden, zijn ambassadeurswoning op te trekken in de voormalige tuin van Persyn, recht tegenover de Bierkade. Toen in 1617 de Zuid-Oost-Buitensingel werd gegraven kwamen het huis en de tuin van Van Dyck tussen de Ammunitiehaven en de singelgracht te liggen en dus binnen het dorp. De erven van de latere eigenaar Thomas Verwer (naar wie de Ververstraat genoemd is) verkochten het monumentale huis aan de hervormde diakonie, die het pand tot 1867 gebruikte als Oude Vrouwen- en Kinderhuis. Intussen was het Lammeken in 't groen door het graven van de Zuid-Oost-Buitensingel volkomen vernietigd. De singel liep dwars door het terrein dat steeds verder verkaveld werd. In een hoektuin aan de Coman Willemslaan werd een huis genaamd 'de Pinxterblom' neergezet. Gaandeweg kreeg ook de laan de naam Pinxsterbloemlaan en die naam bleef tot ver in de negentiende eeuw bestaan. Aan de overkant lag het huis 'de Regenbooch' dat toebehoorde aan de geliefde van Prins Maurits, Margaretha van Mechelen.
Gelijktijdig met de singelgrachten werden in het begin van de zeventiende eeuw ook de Nieuwe Haven en de Ammunitiehaven aangelegd. De havens vormden het centrum van het havenkwartier waar schepen goederen aanvoerden die bestemd waren voor de stad. In die tijd bepaalden de cafés, logementen en de prostitutie het beeld hier. Langs de verbindingsgracht tussen de Nieuwe Haven en de Oostsingelgracht waren kleine huisjes verrezen die later door de bebouwing aan de Zwarteweg en de demping van de verbindingsgracht ingesloten werden. Ze staan nu nog bekend als de voormalige Julianahof. In het begin van de negentiende eeuw verloor het gebied rond de Nieuwe Haven zijn functie en geleidelijk aan werden de grachten gedempt. In 1860 waren de Ammunitiehaven en de Schedeldoekshaven aan de beurt om gedempt te worden en in 1904 volgde de Nieuwe Haven.
Intussen was de stadsuitbreiding langzaam op gang gekomen. In 1890 was er buiten de singelgrachten slechts bebouwing te vinden langs de Boomsluiterskade en aan de Maasstraat tussen de Amstelstraat en de IJsselstraat, waar men enkele complexen kleine woningen had neergezet. In diezelfde tijd stonden op de plaats van de huidige Plettterijkade de gebouwen van de pletterij Enthoven. In 1905 verhuisde deze metaalfabriek naar Delft. Pas na 1910 begon men in snel tempo met de systematische bouw van de Rivierenbuurt. Spaarneplein, Postcheque en Girodienst
Datum opname: ca. 1950Eerst werd het deel tussen de singelgracht en de Weteringkade aangelegd en zo'n tien jaar later was het stratenplan en een deel van de bebouwing tussen de Weteringkade en de spoorbaan gereed. Het gebouw van de Postcheque- en Girodienst aan het Spaarneplein dateert uit 1919. De nieuw gebouwde woningen waren voor het grootste deel meergezinshuizen met twee buitendeuren en een binnentrap of portiekwoningen met een buitentrap. Het Schenkviaduct dat ten behoeve van het toenemende verkeer werd aangelegd, kwam in 1940 gereed. Het resterende water en het oude sluisje van de Schenkwetering verdwenen in 1957. Eveneens ten behoeve van het verkeer werd in 1975 het Prins Bernhardviaduct opengesteld.
In de jaren tachtig en negentig ging zo ongeveer het hele oude havengebied op de schop. Er kwamen nieuwe woningen en kantoren. Ook het Prins Bernhardviaduct, ooit bedoeld als beginpunt van de dwarsweg door het centrum, moest een veer laten en werd ingekort.

© Haags Gemeentearchief

Meer weten? Lees ook:

D. Hoek, Tegenover de Leprozen; de geschiedenis van een buurt van 1461 tot 1681. In: Jaarboek 1939 (van) Die Haghe, blz. 112-207.
Inventarisatie ten behoeve van het ontwerpbestemmingsplan Centrum Zuid-Oost/Rivierenbuurt. Gemeente 's-Gravenhage, Dienst voor de Stadsontwikkeling, 1974.
Ontwerpbestemmingsplan Rivierenbuurt. Gemeente 's-Gravenhage, 1981.


ZEEHELDENBUURT

Toussaintkade nrs. 69-72, rechts de Elandstraat
Datum opname: 12-04-1976
fotograaf: Dienst voor de Stadsontwikkeling (Jong, M. de)Het Zeeheldenkwartier, dat hoofdzakelijk tussen 1870 en 1890 gebouwd werd en daarmee een van de oudste stadsuitbreidingen is, wordt begrensd door de Laan van Meerdervoort, de Zeestraat, de Toussaintkade, de Hoge Wal, en de Waldeck-Pyrmontkade. Tot rond het midden van de vorige eeuw vormden de zeventiende-eeuwse grachten de bebouwingsgrens van Den Haag. Toen daarna echter de Haagse bevolking zeer snel toenam werd het noodzakelijk de stad buiten de grachtengordels uit te breiden. 't Kleine Veentje, de veenpolder waar het Zeeheldenkwartier uiteindelijk verrees, lag aan de rand van de noordwestelijke singelgrachten en bestond voornamelijk uit weilanden. Tussen de Veenkade en de sloot, de latere Elandsgracht die de polder doorsneed, verbouwden tuinders bloemen en groenten. Later zou ook de Elandstraat de Zeeheldenbuurt en de Dichtersbuurt van elkaar scheiden. In het noorden vormde de Laan van Meerdervoort, genoemd naar de (bouw-)hoeve Meerdervoort, de grens tussen veengebied en duingebied.
Rond 1840, vòòr de stadsuitbreiding, werd al bebouwing aangetroffen aan de Toussaintkade die toen nog Veenlaan heette. In dit nog landelijke gebied vond men de theetuinen, tuinhuizen en buitentjes van de Haagse burgerschap. Later werden deze huizen vervangen door grotere, fraaiere huizen. De uitspanning en kolfbaan Duin en Veldzigt in de Zeestraat werd in die tijd graag bezocht door de Hagenaars. In 1843 toen Willem II de grond en het complex had opgekocht, vestigde D. Boer zich hier met zijn Koninklijke Bazar waar men allerhande kunst- en nijverheidsvoorwerpen kon bezichtigen en kopen. De Bazarstraat werd later door dezelfde D. Boer aangelegd als verbindingsweg tussen de Sophialaan en de Anna Paulownastraat. In 1859 had een gemeenteraadscommissie al een plan ontworpen voor een park achter de Zeestraat. De gemeente moest haar ideeën echter laten varen omdat Anna Paulowna, weduwe van Willem II, niet van plan was afstand te doen van het bos bij haar landgoed Rustenburg aan de Scheveningseweg. Enkele jaren later deed haar dochter Sophie, groothertogin van Saxen Weimar, wel afstand en de architect S.J. de Vletter, die de nieuwe eigenaren- ondernemers vertegenwoordigde, diende in 1865 zijn eigen plan in. Na eindeloze beraadslagingen werd tenslotte rond 1870 het Anna Paulownaplein en omgeving aangelegd. In dit zogenaamde Anna Paulownapark werden vooral statige, ruime huizen voor welgestelden gebouwd. De kwaliteit van die huizen was dan ook beduidend beter dan die van de huizen in de kleinere straten bij de Veenkade zoals de De Riemerstraat en de Westerbaenstraat die eveneens rond die tijd werden gebouwd.
Al voordat er sprake was van een nieuwe wijk verrees aan het einde van de Toussaintkade aan het huidige Piet Heinplein de Koninklijke Meubelfabriek Mutters. Het gebouw, dat een kopie was van het Mauritshuis, stond toen te midden van het grazende vee. Later werd de fabriek door de bebouwing van het Zeeheldenkwartier ingesloten en in 1975 werd het complex gesloopt.
Prins Hendrikplein met het postkantoor, ca. 1950. IMF-nr.: 57639 De eigenlijke Zeeheldenbuurt, met het Prins Hendrikplein - genoemd naar prins Hendrik 'de Zeevaarder' (1820-1879) - als middelpunt en enige openbare groenvoorziening in de wijk, werd tussen 1870 en 1890 gebouwd. Het stratenplan was al eerder ontworpen. Kennelijk had de gemeente haar les getrokken uit het niet planmatig bouwen zoals dat in de Schilderswijk was gebeurd. De Zeeheldenbuurt werd dan ook uiteindelijk een betere negentiende-eeuwse woonwijk, zij het met een nogal rechthoekig stratenplan. De bebouwing, die bestond uit herenhuizen en ook wel aparte boven- en benedenwoningen, bood woonruimte aan het sterk groeiende aantal ambtenaren, militairen, Indische verlofgangers en gepensioneerden, de zgn. 'middenstand'. De Dichtersbuurt was veel minder ruim opgezet en achter de smalle, dichtbevolkte straten lagen in veel gevallen ook nog hofjes van niet al te beste kwaliteit. Ook de Trompstraat kende echter een vijftal hofjes. Eén hofje, dat als enige bewaard is gebleven in die straat, vormt een bouw- en onderhoudstechnisch gunstige uitzondering. Het betreft het zogenaamde Trompstraathofje, dat ook wel bekend staat als het 'Artiestenhofje'. Hoewel het rond 1875 voor het personeel van de Koninklijke Stallen en in opdracht van Willem III is gebouwd, werd het in de jaren dertig en veertig voornamelijk bewoond door kunstenaars. In 1952 werd dit hofje, waarin iedere woning is voorzien van een achtertuin, totaal gerenoveerd. Rond 1876 werd begonnen met de aanleg en bebouwing van de Elandstraat tussen de Toussaintkade en de Hemsterhuisstraat. De Elandsgracht moest daarvoor worden gedempt. De tuinen van de huizen aan de iets eerder aangelegde Piet Heinstraat grensden tot op dat moment aan dit water. Pas later, rond 1900, werd de Elandstraat verlengd tot aan de Waldeck Pyrmontkade. Ook werd de straat met iepen beplant, die het echter zo'n twintig jaar later weer moesten ontgelden. Rond 1880 was de bebouwing van het Zeeheldenkwartier al gevorderd tot de Van de Spiegelstraat en de Jan van Galenstraat ten noorden van de Elandstraat en tot de Helmersstraat in het gebied tussen Elandstraat en Veenkade. Zo'n tien jaar later was ook de bebouwing tussen het Prins Hendrikplein en de Waldeck Pyrmontkade voltooid.
Omdat het Zeeheldenkwartier in de vorige eeuw zeer gunstig lag ten opzichte van het duingebied, dat tot aan de Laan van Meerdervoort reikte, en dus als gezond stond aangeschreven, vestigden zich ook een aantal instellingen op medisch gebied in de wijk. Voorbeelden daarvan zijn: het Kinderziekenhuis dat eerst was gevestigd in een pand aan het Prins Hendrikplein, en later naar de Laan van Meerdervoort verhuisde, het Diaconessen-gesticht Bronovo en de Inrigting voor Ooglijders beide aan de Laan van Meerdervoort. De neo-gotische kerk Onze Lieve Vrouwe Onbevlekt Ontvangen aan de Elandstraat, die ook wel Elandstraatskerk wordt genoemd, is sinds 1892 een markant punt in de wijk.
Rond de eeuwwisseling deed de detailhandel al goede zaken in het Zeeheldenkwartier. Met name in de ruime winkelstraten, zoals de Prins Hendrikstraat, Zoutmanstraat, Elandstraat en Piet Heinstraat, was het altijd een drukte van belang. Daarnaast was er ook nog de groente- en fruitmarkt die tot 1933 werd gehouden op de Veenkade. Tuinders uit het Westland verhandelden hier hun waar die zij met hun schuiten aanvoerden. Achter de Helmerstraat lag een houtzagerij compleet met molen en 'balkengat' (water voor de aanvoer van bomen). De houtzagerij moest echter wijken voor de aanleg van de Crispijnstraat. Deze naam werd overigens pas in 1921 verleend, nadat de straat vanaf 1917 Groen van Prinstererstraat had geheten.
In de jaren twintig bleek voor de bereikbaarheid van het centrum een doorbraak noodzakelijk van de Torenstraat naar de Zoutmanstraat. Daartoe werd, dwars over enkele straten van de Dichtersbuurt de Vondelstraat aangelegd. Die doorbraak heeft het Zeeheldenkwartier geen goed gedaan. Met name na de Tweede Wereldoorlog werd de wijk een groot doorgangsgebied voor het autoverkeer van en naar het centrum. Daarnaast bleken de grote huizen al lang niet meer aantrekkelijk te zijn voor de mensen voor wie ze oorspronkelijk gebouwd waren. Het gevolg was onderverhuring en inwoning waardoor de panden snel in kwaliteit achteruit gingen. Doordat zich vooral in de omgeving van het Anna Paulownaplein steeds meer kantoren vestigden, ging ook het woonkarakter van de wijk voor een deel verloren. Door gebrek aan onderhoud liep ook de kwaliteit van de kleinere woningen en hofjes snel achteruit. Vooral in de omgeving van de Veenkade was het verval ernstig. Het is dan ook geen wonder dat het Zeeheldenkwartier aan de lijst van stadsvernieuwingsgebieden werd toegevoegd. In de jaren tachtig en negentig heeft een groot deel van het gebied een grote opknapbeurt gekregen in de vorm van nieuwbouw of renovatie. Ook de Elandstraatskerk is grondig gerestaureerd. Het vertrek van de Openbare Bibliotheek aan de Vondelstraat naar het Spui bij het nieuwe stadhuis wordt als een verlies ervaren, zeker nu het oude gebouw nog steeds op een definitieve bestemming wacht. Toch is de wijk erg in trek, niet in het minst door de verscheidenheid aan winkels en uitgaansmogelijkheden.

© Haags Gemeentearchief

Meer weten? Lees ook:

W.J.T. Broug, 'Herinneringen aan de Zeeheldenbuurt.' In: Jaarboek Die Haghe 1975, 97-111.
[J. van Wandelen], Ken uw wijk; Zeeheldenbuurt. Den Haag 1994.
N. Brunt, Het huis in de Heemskerckstraat. Meisje tussen boeken. Amsterdam 1978.
Elandkrant: wijkkrant voor het Zeeheldenkwartier, 1974 jrg. 1 -