WIJKBESCHRIJVING EN -LITERATUUR STADSDEEL SCHEVENINGEN
Belgisch Park
Duinoord
Duindorp
Statenkwartier
Scheveningen
Van Stolkpark
Westbroekpark en Duttendel
Zorgvliet
Algemene wijkliteratuur en overzicht stadsdelen
BELGISCH PARK
De wijk ligt in het noordwestelijk deel van Den Haag en wordt begrensd door de Strandweg, het Gevers Deynootplein, de Badhuisweg, de Brusselselaan, de Doorniksestraat, de Pompstationsweg, de Van Alkemadelaan, de Zwolsestraat, de Oostduinen en een deel van het Zwarte Pad.
Ontwikkelingsgeschiedenis.
Het Belgisch Park, aanvankelijk ‘Nederlandsch-Belgisch Park’ genaamd, werd ontworpen in opdracht van E. Cambier, directeur van de Societe Anonyme des Tramways de La Haye. De tuinarchitect T. Coppieters maakte het ontwerp. De exploitatie van het villapark was in handen van de ‘Hollandsch-Belgische Bouwgrond Maatschappij’ die in 1883 een begin maakte met aanleg en bebouwing.
Het oudste gedeelte wordt gevormd door het Belgische Plein met de daarop aansluitende straten die een bochtig beloop hebben en door bomen worden omzoomd: Antwerpsestraat, Luiksestraat en delen van de Gentsestraat en Leuvensestraat. Het plein bezit een ruim plantsoen met boombeplanting; de genoemde straten worden behalve door de bomen gekenmerkt door voortuinen die het villaparkachtige karakter versterken.
In het eerste decennium van de twintigste eeuw vonden uitbreidingen plaats aan de noordwestzijde volgens een stratenpatroon met vanaf het Harstenhoekplein diagonaalsgewijs lopende straten (Harstenhoekweg, Gentsestraat, Amsterdamsestraat), doorsneden door parallel lopende straten in de richting oost-west. De uitvoering van dit deel van het Belgisch Park geschiedde grotendeels volgens het Uitbreidingsplan van I.A. Lindo uit 1903.
In de volgende decennia kreeg de wijk zijn afronding in de richting van de Pompstationsweg en de Nieuwe Scheveningse Bosjes, terwijl tevens langs de Zwolsestraat en in het gebied ten noorden daarvan tot aan de Gevers Deynootweg bebouwing tot stand kwam. De reeds in 1835 aangelegde Badhuisweg, zo genoemd naar het oorspronkelijke neoclassicistische Badhuis ter plaatse van het huidige Kurhaus, begrenst de wijk aan de zuidwestzijde en vormt een fraaie zichtas op het Kurhaus. Twee grote complexen bepalen voorts het beeld van dit stadsdeel: het Huis van Bewaring annex Strafgevangenis uit ca. 1886-1911 aan de zuidoostzijde en de HTM remise tussen het Harstenhoekplein en de Zwolsestraat, gebouwd in 1906 en in recente tijd gemoderniseerd.
Concentraties van winkels komen voor aan de Gentsestraat tussen de Stevinstraat en het Harstenhoekplein, aan het Harstenhoekplein en aan de Stevinstraat tussen de Badhuisweg en de Namensestraat.
Scholencomplexen bevinden zich aan de Haagsestraat op de hoek van de Arnhemse- en Deventersestraat en tussen de Duinkerkse-, Kortrijkse- en Gentsestraat. Aansluitend op dit laatst genoemde naoorlogse complex staat de Ichthuskerk uit de jaren vijftig.
De Doorniksestraat verbindt in een rechte lijn de Gentsestraat en de Pompstationsweg. Tegenover de Nieuwe Scheveningse Bosjes bevinden zich hier de complexen van een sanatorium en de Eerste Nederlandse Buitenschool die voor de Tweede Wereldoorlog tot stand kwamen.
De Pompstationsweg, die het Belgisch Park aan de zuidoostzijde begrenst, ontleent zijn naam aan de in de duinen gebouwde watertoren uit 1875.
Structurele en/of functionele veranderingen.
Sinds de Tweede Wereldoorlog vonden ingrijpende wijzigingen plaats in het noordwestelijke gedeelte van de wijk. De in 1908 aangelegde Hofpleinspoorlijn, die Scheveningen verbond met het Haagse station Hollands Spoor en Rotterdam, werd in de jaren vijftig opgeheven, waardoor het tracé van deze spoorlijn langs de Zwolsestraat en het emplacement met stationsgebouw naast het Oostduinpark kwamen te vervallen. Het laatste ging daarna dienen als parkeerterrein met aan het eind, op de hoek van de Gevers Deynootweg het Europahotel. In het begin van de jaren negentig is op het parkeerterrein een zeer groot complex woningen met parkeergarage (arch. Neave Brown) gebouwd.
Het gebied ten noordwesten van het Harstenhoekplein en tussen de Gevers Deynootweg en het strand veranderde door afbraak en grootschalige nieuwbouw in de jaren zeventig en tachtig ingrijpend van karakter. Het Palacehotel maakte plaats voor de Palacepromenade, bekroond door torenflats en aan het eind van de Gevers Deynootweg verrees het Carlton Beach Hotel.
Tussen deze beide locaties was reeds in de jaren vijftig een reeks schuin op de kustlijn geprojecteerde flats gebouwd.
De oude pier, het ‘Wandelhoofd Wilhelmina’ uit 1890 die in 1943 werd verwoest, kreeg in 1959 een opvolger naar ontwerp van architect H.A. Maaskant, echter niet meer in de as van het Kurhaus maar iets noordelijker.
Ook aan de Badhuisweg vonden structurele veranderingen in de bebouwing plaats. Tussen de Leuvensestraat en de Stevinstraat verrees het flatgebouw ‘Residence Belgisch Park’en op de hoek van de Brusselselaan het complex van de Hogere Hotelvakschool.
(Bron: Monumenten inventarisatieproject Den Haag 1850-1940. Den Haag 1992)
DUINOORD
De wijk wordt begrensd door de Groot Hertoginnelaan, Stadhouderslaan, Cornelis de Wittlaan, Conradkade, Houtrustweg, Beeklaan en Laan van Meerdervoort.
Vanuit de ontstaansgeschiedenis is de wijk in drie delen te splitsen: Duinoord I omsloten door de Groot Hertoginnelaan, de Conradkade en Laan van Meerdervoort; Duinoord II omsloten door de Groot Hertoginnelaan, de Conradkade, Cornelis de Wittlaan en Stadhouderslaanen tenslotte het gebied omsloten door de Houtrustweg, Beeklaan, Laan van Meerdervoort en de Suezkade.
Duinoord I
Ontwikkelingsgeschiedenis.
In 1891 diende de Haagse bankier dr. D.P. Scheurleer bij de gemeente een plan in, dat in gewijzigde vorm in 1892 werd overgenomen door de ‘N.V. Haagsche Bouwgrond Maatschappij Duinoord’. Deze maatschappij had hiervoor ten zuidwesten van het Zeeheldenkwartier grote grondaankopen gedaan (de zogenaamde Dekkersduintjes). De op deze zandgronden nieuw te bouwen woonwijk was voornamelijk bestemd voor welgestelden en de middenklasse. Het oorspronkelijke plan werd door de directeur van de Dienst Gemeentewerken, ir. I.A. Lindo, onder meer in verkeerstechnisch opzicht gewijzigd, waardoor betere aansluitingsmogelijkheden met bestaande wijken en met geplande nieuwbouwwijken werden gerealiseerd. De aanleg kwam tussen 1892 en omstreeks 1902 tot stand.
Na het Willemspark was het de tweede grote Haagse stadsuitbreiding waarvoor het stratenplan in een keer werd ontworpen. Kenmerkend zijn het gebogen stratenpatroon, de enigszins trapeziumvormige begrenzing van de wijk en de hoofdas langs de voormalige Afzanderijvaart. Deze as wordt in het midden onderbroken door het stedenbouwkundige hoofdaccent van de wijk, het ovaalvormige Sweelinckplein. De hoofdstructuur met breed aangelegde straten wordt gevormd door het Sweelinckplein, de Koningin Emmakade/Waldeck Pyrmontkade, de Groot Hertoginnelaan, Laan van Meerdervoort en de le en 2e Sweelinckstraat.
De zuidwestelijke begrenzing van de wijk werd bepaald door het Afvoerkanaal en het tracé van de stoomtram naar Scheveningen. Deze trambaan liep tussen het traject Reinkenstraat-Carnegielaan achter de huizen van de Obrechtstraat. De Obrechtstraat was dan ook aanvankelijk de grens van de wijk. Hoewel de bebouwing aan de Laan van Meerdervoort ter hoogte van de Obrechtstraat uit dezelfde periode dateert, behoort zij niet tot het ingediende bouwplan voor Duinoord. Later werd de trambaan voor de elektrische stadstram verlegd naar de Laan van Meerdervoort. De ongebruikelijk diepe binnenterreinen tussen de Obrechtstraat en de Laan van Meerdervoort herinneren nog aan het oude tramtracé.
Duinoord was bijzonder in trek bij repatrianten en verlofgangers uit Nederlands-Indië, die door middel van advertentiecampagnes werden aangetrokken. De Maatschappij ‘Duinoord’, die speculatiebouw als in het Zeeheldenkwartier wenste te voorkomen, schreef in 1892 een prijsvraag uit voor gevelontwerpen, waarop architecten en bouwondernemers konden inzenden. De beoordeling lag in handen van een jury, die bestond uit dr. P.J.H. Cuypers, prof. E. Gugel en de architect C. Muysken. De Cuypersleerling Nicolaas Molenaar won de eerste prijs voor architecten met zijn ontwerp ‘Sri Wedari’, dat op de hoek Banstraat/Sweelinckplein is uitgevoerd. De tweede prijs was voor G. Brouwer jr. (Sweelinckplein 71). Bij de bouwondernemers gingen de eerste twee prijzen naar J.W. Bakker voor een dubbele villa (Groot Hertoginnelaan 26-28) en drie aaneengesloten herenhuizen (1e Sweelinckstraat 28-30).
Structurele en/of functionele veranderingen.
Duinoord I is grotendeels gaaf bewaard. Een na een prijsvraag totstandgekomen vooroorlogse invulling met een geaccentueerde hoekoplossing is het zogenaamde Cornerhouse op de hoek Reinkenstraat/Conradkade uit 1930.
Het vlak na de oorlog gerealiseerde kantoorgebouw Laan van Meerdervoort 55/55a kan worden beschouwd als een goede architectonische en stedebouwkundige invulling op de hoek met de Groot Hertoginnelaan. Het kantoorgebouw aan de le Sweelinckstraat/Groot Hertoginnelaan en de Duitse Ambassade aan de Groot Hertoginnelaan/Van Blankenburgstraat maken daarentegen een storende inbreuk op de stedebouwkundige structuur en schaal van de wijk. De verwijdering van de middenas met bomen in de Groot Hertoginnelaan betekende eveneens een verlies aan structuur en belevingswaarde.
De voormalige Afzanderijvaart, die iets ten noorden van de Groot Hertoginnelaan eindigt, liep oorspronkelijk in het midden van de Koningin Emmakade/Waldeck Pyrmontkade tot aan de omgrachting van het centrum. Ten zuiden van de Obrechtstraat is deze vaart echter in 1959 gedempt.
Veel monumentale herenhuizen zijn na de Tweede Wereldoorlog verbouwd tot kantoren. Deze functieverandering heeft met name plaatsgevonden aan het Sweelinckplein, de Groot Hertoginnelaan, Waldeck Pyrmontkade, Koningin Emmakade en de Laan van Meerdervoort.
Oorspronkelijk waren de winkels over de wijk verspreid. In de jaren twintig en dertig ontwikkelde de Reinkenstraat zich tot de belangrijkste winkelstraat ten koste van enkele winkels elders in de wijk.
(Bron: Monumenten inventarisatieproject Den Haag 1850-1940. Den Haag 1992)
Duinoord II.
Ontwikkelingsgeschiedenis.
Met de aanleg van dit deel van de wijk Duinoord werd rond de eeuwwisseling begonnen. Het succes van het eerste plan bracht de bouwondernemers er toe, nog voordat de wijk was voltooid om een tweede uitbreidingsplan in te dienen. De gemeentelijke goedkeuring werd op 16 maart 1897 verleend. Zowel stedenbouwkundig als wat het bebouwingsbeeld betreft vormde het een overgangsgebied tussen Duinoord I en het Statenkwartier, waarvan met de aanleg eveneens rond 1900 werd begonnen. De Koningin Emma- en Waldeck Pyrmontkade, de 2e Sweelinckstraat, de 2e Schuytstraat en Obrechtstraat werden ten noorden van de Groot Hertoginnelaan doorgetrokken. De Valeriusstraat en de 2e Sweelinckstraat sloten direct aan op de Aert van der Goesstraat en Jacob Gillesstraat in het Statenkwartier.
Structurele en/of functionele veranderingen.
Duinoord II is door afbraak ten behoeve van de Atlantik Wall van de Duitse bezettingsmacht in de Tweede Wereldoorlog voor een belangrijk deel ingrijpend gewijzigd. Ten noorden van de Lübeckstraat is in de jaren vijftig en zestig naar het Basisplan Stadhoudersplein-Scheveningsche Boschjes (1947) van W.M. Dudok een geheel nieuwe stedenbouwkundige structuur ontstaan met strokenbouw haaks op de naar het zuiden verlegde Haagse Beek.
Aan de later tot President Kennedylaan omgedoopte dwarsas kwamen kantoren waardoor de relatie met het Statenkwartier werd verbroken. Het Verhulstplein met de daaraan gelegen kantoren doorbrak de kilometerslange door een groenstrook omgeven Haagse Beek. Evenals de Reinkenstraat in Duinoord I heeft ook de Valeriusstraat in de loop van de 20ste eeuw winkels gekregen. Deze zijn na de Tweede Wereldoorlog voor een deel op de begane grond van woonflats gesitueerd.
Het gebied omsloten door de Houtrustweg, Beeklaan, Laan van Meerdervoort en de Suezkade behoort niet tot het oorspronkelijke plan Duinoord. Het is aan het begin van deze eeuw aangelegd en sluit aan bij het Regentessekwartier, dat naar uitbreidingsplannen uit 1895 van ir. I.A. Lindo werd gerealiseerd.
Ten noorden van de Morsestraat heeft schaalvergroting plaatsgevonden door de bouw van een scholencomplex en verzorgingstehuis. Een schaal- en structuurverandering vond ook plaats aan de Groot Hertoginnelaan ter hoogte van de Snelliusstraat. De verwijdering van de middenas met bomen in de Groot Hertoginnelaan betekent een groot verlies aan structuur en belevingswaarde.
(Bron: Monumenten inventarisatieproject Den Haag 1850-1940. Den Haag 1992)
Meer weten? Lees dan ook:
Duinoord en Statenkwartier 1895-1960. Den Haag 1986.
R.F. de Bock, Groeten uit Den Haag. Statenkwartier en Duinoord. 's-Gravenhage 1981.
R.F. de Bock, Duinoord en Statenkwartier - toen. Rotterdam 1971.
Wim de Koning Gans, Duinoord en Zorgvliet in oude foto's, 1895-1955. Den Haag 1999.
Het familieweekblad voor Duinoord en omgeving, 1926-1941.
STATENKWARTIER
De wijk is gelegen in het noordwestelijk deel van Den Haag tegen Scheveningen. De grenzen zijn: Scheveningseweg, Eisenhowerlaan, Stadhouderslaan, Cornelis de Wittlaan, Houtrustweg, Westduinweg en Duinstraat.
Het deel ten westen van de Van Boetzelaerlaan heet Geuzenkwartier.
Ontwikkelingsgeschiedenis.
De uitbreiding van het Haagse stedelijke gebied richting Scheveningen kreeg in de jaren 1900-1915 zijn afronding met de aanleg van het Statenkwartier. Deze wijk was een vervolg op het vanaf 1893 tot stand gekomen Duinoord. Het stoomtramtrace (thans lijn 11) naar Scheveningen en de vanuit Duinoord om het landgoed Zorgvliet aangelegde Stadhouderslaan, zijn bepalend geweest voor de opzet van de wijk. Het aan het einde van de 19de eeuw gegraven Verversingskanaal -thans Afvoerkanaal geheten- vormde de harde westelijke grens van het te bebouwen duingebied.
Ir. I.A. Lindo ontwierp een waaiervormig stratenplan waarin een aantal zuidoost-noordwest radialen (de Willem de Zwijgerlaan, de Statenlaan, de Prins Mauritslaan en de Johan van Oldenbarneveltlaan) de verbinding tussen de Stadhouderslaan en de langs het tramtracé aangelegde Van Boetzelaerlaan tot stand brachten. De Frederik Hendriklaan en de Frankenslag waren de belangrijkste dwarsassen door dit raamwerk. Het radiale stratenpatroon bracht een groot aantal pleinvormige kruisingen met zich mee zoals de kruising Frederik Hendriklaan/ Johan van Oldenbarneveltlaan/ Frankenslag.
In Lindo's plan kwamen drie pleinen voor: het Prins Mauritsplein, het Statenplein en de grootste van de drie: het Frederik Hendrikplein.
De noordoostelijke en zuidoostelijke randen van de nieuwe wijk kregen een open bebouwing met villa's en kort geschakelde herenhuizen. De meeste villa's aan de Scheveningseweg waren vlak voor de totstandkoming van de wijk gebouwd en vormden een lintbebouwing met eenzelfde functie als het er tegenover gelegen Van Stolkpark, namelijk luxe buiten wonen tussen de opkomende badplaats Scheveningen en de oude stad. Langs de Stadhouderslaan (later Eisenhowerlaan), gelegen tegenover het nog ongerepte Zorgvliet, werd deze bebouwing voortgezet. De overige straten van de nieuwe wijk kregen een gesloten bebouwing van over het algemeen grote herenhuizen, bestaande uit twee bouwlagen met een kapverdieping of drie lagen met een plat dak. Het deel ten oosten van de Statenlaan kreeg meer groen in de vorm van voortuinen dan het deel ten westen van deze hoofdas. Een forse laanbeplanting in een brede middenstrook kregen de Stadhouderslaan en Van Boetzelaerlaan en de brede radialen daartussen.
‘Kijkgroen’ in de vorm van plantsoenen werd aangelegd op de eerder genoemde drie pleinen. Langs de Haagse Beek, die de grens vormde met Duinoord, kwam een groenstrook die men wel kon betreden.
Wat de functies betreft is het wonen verreweg de belangrijkste in het Statenkwartier. Daarbij valt een hierarchie waar te nemen: de grootste huizen vindt men aan de randen, de brede hoofdassen en aan de pleinen. Middenstandswoningen komen in de zijstraten voor waarbij er een vereenvoudiging in type en architectuur optreedt naar mate men meer in het westelijke deel komt. In het Geuzenkwartier zijn veel beneden- en bovenwoningen en vroege voorbeelden van portiekwoningen.
In de omgeving van het Van St. Aldegondeplein bestaat de bebouwing uit kleine huizen van één bouwlaag met een kap.
In aansluiting op de Valeriusstraat in Duinoord ontwikkelden de Aert van der Goesstraat en de Frederik Hendriklaan zich tot de winkelstraten van het Statenkwartier met haaks op deze as de Willem de Zwijgerlaan als secundair winkelgebied.
Andere functies komen in het Statenkwartier van voor de Tweede Wereldoorlog weinig voor. Schoolgebouwen zijn op ondergeschikte plaatsen in woonstraten gesitueerd met uitzondering van het prominent aan de Stadhouderslaan gelegen Johan de Witt College (1902). Een ander opvallend feit is het geringe aantal kerkgebouwen; deze zijn tegen de rand van de wijk gebouwd.
Structurele en/of functionele veranderingen.
De aanleg van een tankgracht in de Tweede Wereldoorlog, onderdeel van de ‘Vesting Scheveningen’, betekende een definitieve breuk tussen de wijken Duinoord/ Zorgvliet en het Statenkwartier. Een groot deel van de villa's van Zorgvliet en de huizen in de omgeving van het Stadhoudersplantsoen viel aan de Duitse plannen ten offer. Bij de wederopbouw zijn het woonkarakter en de stedenbouwkundige structuur van deze aan het Statenkwartier grenzende gebieden niet hersteld. Van het Basisplan Stadhoudersplein-Scheveningsche Boschjes van W.M. Dudok uit 1947 is alleen het eerste deel tussen de Houtrustbrug en de Stadhouderslaan uitgevoerd. Het ‘Cultuur Centrum’ dat Dudok voor Zorgvliet had bedacht, heeft het niet gehaald.
Van de kaalslag werd profijt getrokken voor het verbeteren van de verkeersafwikkeling, met name in de verbinding oost-west, en de bouw van kantoren. Strokenbouw met flats verrees aan de Duinoordse zijde en in de as van de Prins Mauritslaan bouwden J.J.P. en H.E. Oud het Nederlands Congresgebouw (1956-1969). Thans vormen de President Kennedylaan met de evenwijdig daaraan gebouwde kantoren en de Johan de Wittlaan met het Congresgebouwgebied een ruimtelijke en visuele barrière.
Deze ontwikkeling is van grote invloed geweest op de rand van het Statenkwartier, met name op de Eisenhowerlaan, de Van Oldenbarneveltlaan en de Scheveningseweg. Veel villa's maakten plaats voor kantoorgebouwen of werden verbouwd tot kantoor. De bouw van verzorgingstehuizen leverde ook een bijdrage in het schaalvergrotingsproces, waarbij veel tuinen tot parkeerplaatsen werden getransformeerd. De bomen in de middenstroken van de Van Oldenbarneveltlaan, de Eisenhowerlaan en de Prins Mauritslaan kwamen onder sterke druk te staan door het toenemende parkeren. De structuur van de wijk zelf is nagenoeg ongewijzigd.
(Bron: Monumenten inventarisatieproject Den Haag 1850-1940. Den Haag 1992)
Meer weten? Lees dan ook:
Duinoord en Statenkwartier 1895-1960. Den Haag 1986.
R.F. de Bock, Groeten uit Den Haag. Statenkwartier en Duinoord. 's-Gravenhage 1981.
R.F. de Bock, Duinoord en Statenkwartier - toen. Rotterdam 1971.
P. Hofdorp, Geschiedenis van het Statenkwartier en ommelanden. 's-Gravenhage 1971.
E.F. Stouthamer, Het Statenkwartier te 's-Gravenhage. [Z.pl.] 1983. Scriptie H.T.S.
Wim de Koning Gans, Het Statenkwartier in oude foto's, 1895-1945, Den Haag 1994.
Statenkwartier, orgaan van het wijkoverleg, 1979 jrg. 1 -
Voor actuele en historische informatie over het Statenkwartier zie www.statenkwartier.net.
SCHEVENINGEN
Ooit was Scheveningen een vrij geïsoleerd gelegen vissersdorp, dat van Den Haag gescheiden werd door een brede duinstrook. Thans is dat dorp geheel opgenomen in de Haagse agglomeratie. Bestuurlijk is het trouwens altijd al van Den Haag afhankelijk geweest. Het oude dorp ligt tegenwoordig ingeklemd tussen een aantal scherp getrokken grenzen: de zee, het tracé van tramlijn 11 en de loop van het Kanaal tussen Den Haag en Scheveningen. Binnen die grenzen is opmerkelijk genoeg weinig eenheid te bespeuren. Scheveningen-Dorp heeft een sterk verbrokkeld karakter. Een verklaring hiervoor vinden we niet alleen in de opeenvolgende ontwikkelingsfasen die het dorp heeft doorgemaakt, maar ook in een serie uiterst ingrijpende saneringen en doorbraken.
Ontstaan
De oudste vermelding van de naam Scheveningen dateert van ca. 1280. Van een dorp met die naam horen we echter pas iets rond het midden van de 14de eeuw. Vermoedelijk heeft het zijn ontstaan te danken aan de opkomst van Den Haag, dat een afzetgebied vormde voor de vis en de vissersbevolking daarmee een economische basis verschafte. De omvang van het dorp was en bleef lange tijd - d.w.z. tot aan de 19de eeuw - uiterst gering. Meer dan drie straten waren er niet: de belangrijkste straat was de Keizerstraat; ten zuidwesten lagen de Weststraat en de Torenstraat (nu het stuk van de Jacob Pronkstraat dat tegenover de Oude Kerk ligt). Wél zouden er oorspronkelijk, naar het verhaal wil, tussen de kerk en de zee nog enkele straten hebben gelegen, die door de zee in 1570 werden weggeslagen tijdens de beruchte Allerheiligenvloed. Tot aan 1800 zou het aantal huizen daarna praktisch constant blijven en de 250 niet overschrijden. De bevolking telde in de 17de eeuw nog geen 1000 zielen. Het dorp kreeg een nieuwe impuls nadat in 1665 op initiatief van Constantijn Huygens tussen Den Haag en Scheveningen een uitstekend begaanbare straatweg was aangelegd. Tot dan toe hadden twee mulle zandpaden voor een gebrekkige verbinding gezorgd. Scheveningen werd nu, hoe bescheiden ook, meer dan voorheen een uitgaansoord voor de Hagenaars. In 1680 werden er al zeven herbergen en wijnhuizen geteld, en in de Keizerstraat verschenen nerinkjes met souvenirs en eetwaren. Mogelijk ligt hier een gedeeltelijke een verklaring voor de groei van het aantal inwoners, dat van 2000 in 1750 toenam tot 4000 in 1825.
Onstuimige groei in de 19de eeuw
Zoals gezegd was het aantal huizen tot aan de 19de eeuw vrij stabiel gebleven. De bebouwing van de Keizerstraat liep, gezien vanaf de zee, nauwelijks verder dan het Kolenwagenslag en de Marcelisstraat. De bebouwing was daarbij voornamelijk geconcentreerd in het gebied tussen de Keizerstraat en de Weststraat, al verscheen ook aan de andere zijde van de Keizerstraat, rond de Marcelisstraat en de Werfstraat, na 1800 een bebouwing van aanvankelijk verspreid liggende huisjes. De opkomst van Scheveningen als badplaats, begonnen in 1818 met de opening van het badhuisje van Jacob Pronk, vormde de eerste aanzet tot een explosieve groei. Direct en indirect profiteerde het dorp mee, al concentreerde het badgebeuren zich op den duur steeds meer rond het op enige afstand gelegen badhuisje (later het Stedelijk Badhuis). Wat deze laatste ontwikkeling betreft, ook het succes van de badinrichting van A.E. Maas, die tussen 1844 en 1862 aan het eind van de Keizerstraat was gevestigd, kon haar uiteindelijk niet tegenhouden. Daarbij kwam dat de oude Scheveningseweg en de Keizerstraat niet langer de enige weg naar zee vormden sinds de aanleg in 1835 van de nieuwe Badhuisweg die vanuit Den Haag rechtstreeks naar het Stedelijk Badhuis voerde. De meeste en de beste hotels verrezen tenslotte niet in het oude dorp, maar rond het Badhuis (dat in 1884 door het Kurhaus werd vervangen). Maar ook de expansie die de visserij na de liberalisering van de visvangst in 1857 doormaakte, zorgde voor een flinke toename van de plaatselijke bevolking.
Als resultaat van deze ontwikkelingen groeiden dorp en badplaats in snel tempo naar elkaar toe, vooral langs de kuststrook. Trouwens, Den Haag rukte na 1860 eveneens in hoog tempo in de richting van de zee op. Het oude dorp breidde zich eerst uit aan weerszijden van de Keizerstraat. De open ruimten werden volgebouwd met een wirwar van hofjes en sloppen, vóór 1850 vooral in het gebied tussen de Keizerstraat en de Weststraat, en daarna aan de andere zijde van de Keizerstraat, langs de Wassenaarsestraat, de Werfstraat en de Marcelisstraat. De loop van het Kanaal tussen Den Haag en Scheveningen - dat tegen 1860 gereed was gekomen - en het tracé van de stoomtram van de HIJSM (nu tramlijn 11) vormden met de Duinstraat de eerste begrenzingen. De bebouwing uit die tijd bestond voornamelijk uit de traditionele kleine eengezinswoninkjes die vaak niet meer dan één kamer telden. In de laatste decennia van de vorige eeuw groeide het dorp vooral landinwaarts, in de richting van de Duinweg, de Badhuisstraat en de
. Rond 1900 was Scheveningen al volkomen met Den Haag vergroeid.
Saneringen tussen 1910 en 1940
De woontoestanden waren in het dorp verre van florissant, vooral in 'west', het alleroudste deel tussen de Keizerstraat en de Weststraat. Het overgrote deel van de woningen was gelegen in sloppen en hofjes, was bouwvallig en meestal veel te klein. Er waren kamers met een oppervlakte van niet meer dan 5m2. Teveel mensen woonden er samen in veel te beperkte ruimtes. Bijna de helft van de huisjes was overbevolkt. De hygiënische toestanden lieten dan ook vaak alles te wensen over. Goed sanitair ontbrak meestal en tijdens de cholera-epidemieën in de 19de eeuw had Scheveningen dan ook trieste records gevestigd. De woningwet van 1901 verschafte de hulpmiddelen om hierin verbetering te brengen. Na een aarzelend begin pakte de gemeente Den Haag de zaken grondig aan. In 1914 begon men met de onteigening en sloop van het gehele gebied tussen de Keizerstraat en de Jacob Pronkstraat. In feite betekende dat het einde van het meest historische deel van het dorp. Voor de opvang van de bevolking bouwde men vervolgens voorbij het Afvoerkanaal de geheel nieuwe wijk Duindorp. Aleer het hele proces van onteigening, sloop en nieuwbouw in 'west' was afgerond schreef men 1939. Een frisse nieuwbouwwijk was het resultaat. Het enige dat toen nog in de verte aan het oude Scheveningen herinnerde, was de relatieve kleinschaligheid van het stratenplan.
In 'oost', het gebied aan de andere kant van de Keizerstraat, had een ingreep van een totaal andere aard plaatsgevonden. Daar had men niet alleen een aantal slechte woningen opgeruimd, maar bovendien een vrij brede verkeersweg aangelegd die van de Scheveningseweg naar het Gevers Deynootplein voerde. In 1912 was men begonnen met de onteigening en sloop en in 1927 werden de laatste woningen aan de nieuwe Jurriaan Kokstraat opgeleverd. In totaal werden er voor 1940 niet minder dan 1050 woningen in Scheveningen-Dorp afgebroken.
De periode na 1945
Door de Tweede Wereldoorlog werd het saneringsproces noodgedwongen stopgezet. Onmiddellijk na de bevrijding vergde het herstel van de oorlogsschade de eerste aandacht. In de jaren zestig werd bij de Haringkade en de Badhuisstraat weer een aanzet tot vernieuwing gegeven. Dat gebeurde op een wijze die voor die jaren kenmerkend was, namelijk door grootschalige flatbouw. Toen men zich in de jaren zeventig ging bezinnen op een integrale aanpak van Scheveningen als geheel, besefte men hoe verbrokkeld het uiterlijk van het dorp was geworden. De 20ste-eeuwse nieuwbouw sloot qua karakter veelal slecht aan bij de oudere bebouwing. Zo onderkende men nu dat de Jurriaan Kokstraat in feite een betreurenswaardige verstoring van het oude stratenpatroon vormde. Daarnaast vroegen de in 'oost' gelegen oudere woonbuurten dringend om een opknapbeurt, terwijl ook voor het verkeer een oplossing moest worden gevonden. De in 1975 door de gemeenteraad aanvaarde structuurschetsen van Scheveningen wezen de richting aan waarheen men de ontwikkeling wilde sturen. Het dorp moest vooral geen geïsoleerd geheel worden. Integendeel, heel Scheveningen, zowel badplaats als dorp, moest worden gezien als één groot woon-, werk- en recreatiegebied aan zee. En hoewel het dorp in de eerste plaats een belangrijk woongebied was met een geheel eigen karakter, vormde het met zijn winkelstraten - de Keizerstraat en de Badhuisstraat - en zijn historische kern een aantrekkelijk stedelijk gebied, ook voor toeristen en dagjesmensen. Belangrijk uitgangspunt bleef echter de verbetering van de woonsituatie. Aan sanering en nieuwbouw zou daarbij niet altijd te ontkomen zijn, maar van belang was daarbij wel dat het bestaande kleinschalige karakter gehandhaafd bleef en dat doordachte oplossingen de bestaande contrasten meer met elkaar in harmonie zouden brengen. Een probleem vormde het verkeer: moest er een rondweg komen of moest men pogen het rijverkeer zoveel mogelijk te spreiden? Tenslotte werden in 1979 en 1980 voor respectievelijk 'west' en 'oost' bestemmingsplannen vastgesteld. In Scheveningen-dorp-West, dat al voor de Tweede Wereldoorlog zo'n radicale sanering had ondergaan, hoefde aan de bebouwing zelf weinig te worden veranderd. Het ging daar vooral om een betere inrichting van de openbare ruimten. In 'oost' waar de oudste bebouwing stond, was de sanering veel urgenter. De eerste opknapbeurt was daar al in 1973 van start gegaan in het gebied rond de Zeilstraat en de Ankerstraat. Een aparte moeilijkheid was dat 'oost' in feite een sterk verbrokkeld gebied vormde waar ieder onderdeel om een eigen oplossing vroeg: sanering, nieuwbouw, renovatie of herinrichting van de openbare ruimte. Dat waren vaak kleinschalige oplossingen die alleen maar tot stand konden worden gebracht door een goede samenwerking tussen gemeente, architecten en bewoners.
© Haags Gemeentearchief
Meer weten? Lees dan ook:
J.C. Vermaas, Geschiedenis van Scheveningen. 's-Gravenhage 1926. 2 dln.
H. Rosse, Plan voor den wederopbouw van de badplaats Scheveningen. Den Haag 1945.
'Scheveningen, onmisbaar element.' In: 's-Gravenhage 10 (1955), afl. 5.
A. Pronk en P.J. Ritsema, Scheveningse bijnamen en scheldnamen. [Z.pl.] 1965.
T.J. van Leeuwen, Scheveningen in oude prenten. Den Haag 1968.
E.M.C.M. Janson, Scheveningen. Uit de geschiedenis van een vissersdorp. [Z.pl.]. 1974.
Scheveningen. Een inventarisatie van waardevolle architectuur en woonbuurten. 's-Gravenhage 1976. Rapport van de werkgroep inventarisatie Scheveningen.
C.H. Slechte, Scheveningen tussen twee wereldoorlogen. Het dorp, de visserij, de badplaats in de jaren 1918-1940. Den Haag 1978.
R. van Lit, Scheveningen een badplaats in beeld. Den Haag 1981
M. Nooren en A. Jansen, Scheveningen rond kerk en Kurhaus. Weesp 1983.
H. Slechte, De modernisering; leven en werken op Scheveningen, 1880-1920. Rijswijk 1996.
P. Spaans en G. van der Toorn, Vertel mij wat van Scheveningen .... z.p. 1998.
P. Spaans, Scheveningen Sperrgebiet. 's-Gravenhage 1983.
D. Roeleveld, De Scheveningse woordenschat. Scheveningen 1986.
P. Spaans, Op z'n Schevenings. 's-Gravenhage 1985.
Wim de Koning Gans, Scheveningen in oude foto's: de badplaats in beeld, 1860-1960. Den Haag 1996.
Wim de Koning Gans, Scheveningen in oude foto's: het dorp, het Renbaankwartier, Belgisch Park, Duindorp en de haven, 1860-1950, Den Haag 1998.
Scheveningse Koerier, 1937-1964, zeer incompleet.
VAN STOLKPARK
Het aan drie zijden door de Scheveningse Bosjes omgeven Van Stolkpark wordt aan de noordzijde begrensd door de Kanaalweg, aan de westzijde door de Van Stolkweg, aan de zuidzijde door de Hogeweg en aan de oostzijde door de Belvedereweg en de Professor P.S. Gerbrandyweg.
De Scheveningse Bosjes liggen ingesloten tussen de Scheveningseweg, de Archipelbuurt, de Haringkade en het Van Stolkpark.
Ontwikkelingsgeschiedenis
Het Van Stolkpark is een van de eerste villaparken in ons land. Zijn naam ontleent het aan mr. Thomas van Stolk, lid van een bekend Rotterdams koopmansgeslacht. Vanaf 1860 woonde hij in Den Haag, waar hij als advocaat werkzaam was. De Scheveningseweg, waarlangs in 1864 een paardentramverbinding tussen Den Haag en de badplaats was aangelegd, oefende in die tijd een grote aantrekkingskracht uit op welgestelde Rotterdammers die er in de zomermaanden huizen huurden of zich er permanent vestigden. Deze weg, aangelegd in 1665 naar ontwerp van Constantijn Huygens, liep aanvankelijk door het duinlandschap, dat bekend stond onder de naam "'s Graven Wildernisse".
De Scheveningse Bosjes zijn ontstaan uit aanplantingen, die op het einde van de 18de eeuw werden uitgevoerd door een Rotterdammer, bekend als de "Bataafsche Boer". De uitspanning "De Bataaf" ontleende haar naam aan deze eerste exploitant van het duingebied. Uit de in 1828 gebouwde uitspanning Buitenlust ontstond later het "Hotel de la Promenade". De Waterpartij in de Scheveningse Bosjes dankt haar ontstaan aan zandafgravingen ten behoeve van de stadsuitbreidingen, die op initiatief van wethouder jhr. H.C.A. Ver Huell in 1868 tot een grote vijver werden getransformeerd.
De in neo-Empirestijl uitgevoerde marmeren bank, die oorspronkelijk met enige villa's ten zuiden van de Waterpartij was gelegen, herinnert aan deze bestuurder.
Van Stolk kocht in 1872 en 1873 percelen duingrond ten oosten van de Scheveningseweg met de bedoeling hier een villapark te stichten. Het ontwerp hiervoor werd geleverd door de tuinarchitecten J.D. en L.P. Zocher te Haarlem. Rond 1875 verrezen langs de Van Stolkweg de eerste villa's, in de jaren tachtig gevolgd door herenhuizen aan de Parkweg, Hogeweg en Duinweg. Met de aanleg van de Belvedereweg in 1900 werd het villapark afgerond.
Het ontwerp van de beide Zochers is grotendeels gevolgd; een ovaal plein met muziektent, dat geprojecteerd was waar de Hogeweg en de Parkweg samen komen, werd echter niet gerealiseerd. Kenmerkend voor het villapark zijn de in een weidse bocht aangelegde Van Stolkweg en Parkweg en de qua beloop half-cirkelvormige Belvedereweg-Professor P.S. Gerbrandyweg. De villa's zijn gesitueerd in ruime tuinen met bomen, terwijl ook langs de wegen boombeplanting is toegepast.
Reeds kort na de aanleg van het Van Stolkpark vestigden zich hier echter ook hotels, zoals "Alla Bella Vista" aan de Van Stolkweg 16 en het "Parkhotel", Parkweg 13, die later een andere bestemming kregen. De Kanaalweg vertoont volgens het plan aaneengesloten bebouwing waarin ook winkels voorkomen.
De ontwikkeling van het Van Stolkpark wordt vanaf 1900 gekenmerkt door een geleidelijk verdichtingsproces, dat zowel nieuwbouw als vervangende nieuwbouw van een grotere omvang en aanbouw betrof.
De grootste verdichting in een keer vond -overigens met respect voor de schaal en kwaliteit van de villawijk- plaats aan de Duinweg en het deel van de Kanaalweg dat in 1962 de naam Professor P.S. Gerbrandyweg kreeg. Hier kwamen in de jaren dertig korte reeksen herenhuizen onder een kap in de stijl van de Nieuwe Haagse School. De na-oorlogse bouw van appartementen werd in 1928 voorafgegaan door het grootschalige flatgebouw van de architect W. Verschoor aan de Kanaalweg/Van Stolkweg.
Structurele en/of functionele veranderingen
Veel van de villa's en grote herenhuizen hebben hun woonfunctie verloren en doen thans dienst als kantoren of scholen. Ook het hiervoor genoemde appartementengebouw aan de Kanaalweg/Van Stolkweg is omgebouwd tot kantoor. Behalve verscheidene vestigingen van internationale scholen in villa's vindt men in het Van Stolkpark sinds 1930 het Eerste Vrijzinnig Christelijk Lyceum aan de Parkweg/Van Stolkweg. Deze school begon in de villa Parkweg 35 en kreeg in de jaren zeventig een groot gebouw dat zich in geen enkel opzicht voegt naar zijn omgeving. De nieuwe functies in de wijk hadden tot gevolg dat enkele tuinen ten dele werden verhard ten behoeve van parkeren. Andere ingrijpende veranderingen waren de bouw van verpleeghuizen en de vestiging van een sociaal-paedagogisch centrum tegen de villa 'Sandhaghe' aan de Hogeweg 18. Aan de Van Stolkweg, Parkweg, Duinweg en Professor P.S. Gerbrandyweg kwamen kleine flatgebouwen, waarvan de meeste in de plaats van villa's.
Met de aanleg van een doorgaande verkeersweg ter plekke van de Duitse tankgracht uit de Tweede Wereldoorlog (Prof. B.M. Teldersweg, in 1969 aangesloten op het Hubertusviaduct) werden de Scheveningse Bosjes in tweeën gedeeld. Ook werd de vorm van de Waterpartij veranderd. De oude uitspanning "De Bataaf" groeide uit tot een sportcomplex met tennisbanen. Aan de Haringkade werd een deel van het natuurgebied bestemd voor de aanleg van Madurodam. In de jaren negentig kreeg deze miniatuurstad een uitbreiding, wat verdere aantasting van het natuurschoon betekende.
Aan de kant van de Scheveningseweg verrees het Promenade hotel (arch. P. Zanstra, 1969) nagenoeg op de plek van zijn kleinere 19de-eeuwse voorganger.
(Bron:Monumenten inventarisatieproject Den Haag 1850-1940. Den Haag 1992)
Meer weten? Lees dan ook:
G.L. Hondius, 'Het Van Stolkpark. De geschiedenis van een 'Rotterdams' buurtje tussen Scheveningen en Den Haag.' In: Jaarboek Die Haghe 1970, 17-41.
A.E.M. Landheer-Roelants: Het Van Stolkpark in oude ansichten. Zaltbommel 1983.
A.E.M. Landheer-Roelants, m.m.v. Ton Landheer: Romantisch wonen in de stad. 125 jaar Van Stolkpark. Utrecht 1999.
Van Stolkparkkoerier, 1978 jrg. 1 -
WESTBROEKPARK EN DUTTENDEL
Tot deze wijk behoren behalve het Westbroekpark en Duttendel ook het Wittebrugkwartier en het Klattepark. Zij wordt aan de noordwestzijde begrensd door de Nieuwe Duinweg met het Westbroekpark, aan de noordzijde door de Badhuisweg, Brusselselaan en Doorniksestraat met de Nieuwe Scheveningse Bosjes en de Pompstationsweg, aan de noordoostzijde door de Van Alkemadelaan met Klein-Zwitserland, aan de zuidoostzijde door de Frederikskazerne en het Hubertusduin met het groengebied van de Gemeentekwekerij en aan de zuidwestzijde door het Kanaal.
Ontwikkelingsgeschiedenis
Deze wijk ontstond in hoofdzaak pas aan het einde van de 19de eeuw, nadat het uitgestrekte duingebied hier grotendeels was afgegraven. In 1862 werd het Kanaal naar Scheveningen, begonnen in 1830 met de bedoeling het grachtenstelsel van Den Haag een verbinding te geven met een in Scheveningen aan te leggen zeehaven, tot aan de tegenwoordige Gevers Deynootweg voltooid. In die tijd werd een groot deel van het oorspronkelijke duingebied afgezand. Ten behoeve van deze werkzaamheden legde men een afzanderijvaart aan, die nog herkenbaar is in de waterloop vanaf Klein-Zwitserland via de gemeentekwekerij naar het Kanaal. Het in 1828 voltooide Badhuis te Scheveningen kreeg in 1835 met de Badhuisweg een goede verbinding met Den Haag.
In 1884 werd de grens met Wassenaar naar het oosten verlegd waardoor een groot stuk van de Oostduinen bij Den Haag kwam. Nadat de afgegraven duingronden aanvankelijk als weiland en tuingrond waren verpacht, werden er door particulieren, onder meer door de architect J. Mutters jr., plannen ingediend voor een villabebouwing in het gebied tussen het Kanaal en de Badhuisweg. De gemeente nam toen het besluit een villapark aan te leggen in de geest van het reeds in ontwikkeling gebrachte Van Stolkpark en Belgisch Park. In 1889 kwamen onder meer de Nieuwe Parklaan en de Nieuwe Duinweg tot stand.
Voor de aanleg van het villaparkje Wittebrug moesten de ruïne van de afgebrande korenmolen 'De Vier Winden' en een bierbrouwerij worden gesloopt.
Enkele huizen en een café aan de Badhuisweg, die in de tweede helft van de 19de eeuw het gehucht Wittebrug vormden, werden in het villawijkje gehandhaafd.
De op 6 januari 1891 door de raad vastgestelde voorwaarden bij de uitgifte van de gronden hielden onder andere in dat alleen vrijstaande huizen mochten worden gebouwd met een maximale gevelbreedte van 25 meter en een afstand tot de openbare weg van ten minste 8 meter. Aan deze voorwaarden is met name aan de Van Lennepweg en Wagenaarweg niet de hand gehouden.
In het Uitbreidingsplan van Berlage uit 1908 was een terrein met tentoonstellingsgebouwen geprojecteerd in de driehoek tussen het Kanaal, de Nieuwe Parklaan en de Nieuwe Duinweg, een plan waartegen verzet rees van de directeur der Gemeenteplantsoenen Pieter Westbroek.
Na jarenlange strijd tussen deze dienst en de Dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting koos het gemeentebestuur in 1925 voor het ontwerp van Westbroek: een park, geïnspireerd op de Engelse landschapsstijl.
In 1892 werd een begin gemaakt met de aanleg van de Nieuwe Scheveningse Bosjes in het tot dan toe ongerepte duingebied ten oosten van de Badhuisweg.
Aan de zuidoostzijde van de rond 1874 richting watertoren aangelegde Pompstationsweg kwam vanaf 1912 het Klattepark tot stand, begrensd door de Klatteweg en de Tapijtweg en doorsneden door de rechte Duinroosweg en de slingerende Violenweg.
De verdere afronding (met de buurt Duttendel) naar de in 1938 doorgetrokken Van Alkemadelaan zou pas na de Tweede Wereldoorlog haar beslag krijgen.
De Kwekerijweg doorsnijdt met een grote lus rond de in de 19de eeuw aangelegde gemeentekwekerij het natuurgebied ten noordwesten van het Hubertuspark. Aansluitend op de gemeentekwekerij zijn de in 1938-1939 gebouwde Frederikskazerne en de sportterreinen van Klein-Zwitserland gesitueerd, de laatste ter plaatse van afgegraven duinen. Het Hubertuspark in de hoek tussen de Waalsdorperweg en de Plesmanweg omvat de vroegere Tagelenberg en het duingebied waar in de 19de en het begin van de 20ste eeuw de schietbaan van de ‘Schietvereeniging St. Hubertus’ was gevestigd. Nadat de schietbaan naar elders was verplaatst en de gemeente dit gebied, tot dan toe eigendom van de familie Van Bylandt, omstreeks 1920 in eigendom had verworven, werd de Tagelenberg in het kader van de werkverschaffing in de crisisjaren verhoogd tot een uitzichtpunt.
De ‘Wittebrug’ werd bij het graven van het Kanaal in 1830 gebouwd en in 1903 door een nieuwe brug in neorenaissancestijl vervangen, die in 1943 bij de aanleg van de Vesting Scheveningen werd afgebroken. De huidige brug dateert uit 1948.
Wat het openbaar vervoer betreft, het gebied had reeds in 1864 een tramverbinding met de stad. In dat jaar werd de paardentramlijn Den Haag-Scheveningen geopend, een ringlijn die onder meer via de Wittebrug naar de badplaats liep over het tracé van de huidige tramlijn. In 1879 volgde de stoomtramlijn van de Nederlandsche Rhijnspoorweg Maatschappij, die via Raamweg en Badhuisweg het station Staatsspoor met Scheveningen verbond, een traject dat van 1924-1957 door de elektrische Blauwe Tram van de Noord-Zuidhollandsche Tramwegmaatschappij bediend zou worden.
Het karakter van de wijk wordt voor een belangrijk deel bepaald door het overvloedig aanwezige groen van de Nieuwe Scheveningse Bosjes, het Hubertuspark en het Westbroekpark. Bij de ontwikkeling van de diverse woongebieden is over het algemeen veel zorg besteed aan de architectuur en de situering in het groen, waarbij van de landschappelijke waardevolle elementen profijt is getrokken. In het bijzonder blijkt dit bij de Nieuwe Parklaan, die zich over duintoppen langs het Westbroekpark slingert en weidse vergezichten biedt en bij de villaparkjes Wittebrugkwartier en Klattepark.
Structurele en/of functionele veranderingen
Sinds de Tweede Wereldoorlog is de woonfunctie voor een deel door de vestiging van kantoren, ambassades en instellingen van onderwijs (de Engelse School) verdrongen. De woonfunctie treft men relatief nog het meest aan in de Van Lennepweg. Enkele villa's en onbebouwd gebleven stukken grond moesten de laatste jaren plaats maken voor kantoren, appartementengebouwen en serviceflats, die in een aantal gevallen door hun structuur, grootschaligheid en materiaalgebruik (o.a. Nieuwe Parklaan 2-42 en Nieuwe Parklaan 97) een verstoring van de voor deze wijk kenmerkende harmonische relatie tussen het groen en de architectuur betekenen. Deze ontwikkeling begon op bescheiden wijze met het flatgebouw Dennehove aan de Badhuisweg (1938).
Reeds in de 19de eeuw bestond het hotel-café ‘Wittebrug’. Het verkreeg zijn huidige vorm in verscheidene bouwfasen, onder meer bij een aanzienlijke vergroting in 1937 naar ontwerp van Co Brandes. In de jaren negentig is het gebouw vervangen door nieuwbouw met appartementen. Aan de Plesmanweg verrees kort voor en na de Tweede Wereldoorlog het hoofdkantoor van de KLM (arch. D. Roosenburg), thans ministerie van Verkeer en Waterstaat. Recent werd dit uitgebreid met een grote vleugel aan de achterzijde (arch. K. van der Hoeven).
In de jaren zeventig werden op het terrein van de Frederikkazerne grootschalige kantoren gebouwd.
(Bron:Monumenten inventarisatieproject Den Haag 1850-1940. Den Haag 1992)
Meer weten? Lees dan ook:
Afdeling Voorlichting der Gemeente, Westbroekpark en omgeving, Den Haag 1973.
De Parkgazet: wijkkrant van Belgisch Park, Westbroekpark en Scheveningen-Noord, 1976 jrg. 1 -
ZORGVLIET
De wijk Zorgvliet, gelegen ten noordwesten van het centrum, wordt omgrensd door de Laan van Meerdervoort, Groot Hertoginnelaan, Stadhouderslaan, Eisenhowerlaan, het Rooseveltplantsoen, de Scheveningseweg, het Carnegieplein en wederom de Scheveningseweg.
Ontwikkelingsgeschiedenis
Tot de officiële wijkbegrenzing van Zorgvliet behoren de driehoek Anna Paulownastraat/Scheveningseweg/Laan van Meerdervoort en de oneven zijde van de Laan van Meerdervoort tussen de Anna Paulownastraat en de Carnegielaan. Historisch vormen deze straten onderdeel van de laat-19de-eeuwse uitleg van het Zeeheldenkwartier en de Archipelbuurt. De Groot Hertoginnelaan en de hieraan gelegen rij huizen op de hoek met de Stadhouderslaan dateren van rond 1895 als onderdeel van de wijk Duinoord.
De villawijk Zorgvliet is ontstaan in het tweede decennium van deze eeuw op de gelijknamige buitenplaats van de staatsman-dichter Jacob Cats. De gronden van 'Sorghvliet' werden in de 19de eeuw aanzienlijk uitgebreid door de prins van Oranje, de latere koning Willem II, nadat deze in 1837 de eigendom had verworven voor 52.000 gulden. De aangekochte goederen in Houtrust en de Segbroekpolder vormden een aaneengesloten geheel met het oorspronkelijke Zorgvliet waardoor de totale oppervlakte niet minder dan 600 ha. omvatte. In 1876 verkocht zijn dochter Sophie, groothertogin van Saxen-Weimar, 265 ha. van het domein aan een aantal bouwmaatschappijen. De terreinen van het huidige Zorgvliet behoorden hier echter niet toe.
Na het overlijden van de kleinzoon van prinses Sophie, kwam het gebied tussen de Stadhouderslaan en de (Oude) Scheveningseweg -de laatste grote potentiële bouwlocatie dichtbij het centrum- volop in de belangstelling.
Overigens heeft de aanleg van de wijk Duinoord vanaf 1893 voor Zorgvliet betekenis gehad. De bouwmaatschappij Duinoord wist namelijk een servituut op het aangrenzende Zorgvliet te verwerven. Het servituut bepaalde dat Zorgvliet tot 1910 niet mocht worden bebouwd.
De gemeente was geïnteresseerd in een eventuele aankoop, waarbij de plannen voor een nieuw paleis voor koningin Wilhelmina en een tot stadhuis te verbouwen paleis Noordeinde een rol speelden. Verder wilde het college van B en W het groene gebied met zijn waterpartijen en glooiingen voor de stad behouden. In de Uitbreidingsplannen van 1895 en 1903 van ir. I.A. Lindo wordt Zorgvliet binnen zijn huidige omgrenzing dan ook onveranderd gehandhaafd.
In 1902 wees de raad de aankoop van het ongeveer 90 ha. grote terrein af. De prijs van 4,5 miljoen gulden voor een park en een mogelijke locatie voor een paleis en enige villa's achtte men onverantwoord.
Daarop kocht mr. A.E.H. Goekoop het terrein plus 141 ha. in de Segbroekpolder voor 5,25 miljoen. De grond bracht hij onder in de "Maatschappij Het Park Zorgvliet en Houtrust". In 1908 kreeg de gemeente opnieuw de kans Zorgvliet te verwerven. Het betrof nu echter een aanmerkelijk kleiner deel. Goekoop had inmiddels het Catshuis met de direct omliggende tuinen van de Maatschappij Zorgvliet gekocht. Bovendien waren in 1905 de terreinen van het voormalige Buitenrust aan de Carnegiestichting overgedaan voor de bouw van het Vredespaleis, dat na een internationale prijsvraag in de jaren 1907-1913 werd gerealiseerd.
In het Uitbreidingsplan van H.P. Berlage (1908) was reeds rekening gehouden met de aankoop door de gemeente. Het gebied tussen het "landgoed Zorgvliet" van Goekoop en de huidige Carnegielaan, Groot Hertoginnelaan, Stadhouderslaan, Eisenhowerlaan en Scheveningseweg wordt in dit uitbreidingsplan ingevuld met villa's in een landschappelijke aanleg. De raad wees echter ook deze maal de koop om financiële redenen af. Uiteindelijk heeft de N.V. Maatschappij Het Park Zorgvliet dit gebied na 1910 verkaveld en ingericht volgens een plan van het architectenbureau Z. Hoek en J.T. Wouters. Dankzij de uitvoerige discussies over het natuurbehoud en de inspanningen van Goekoop heeft men ernaar gestreefd een zo fraai mogelijk villapark te maken. Overigens bestond er veel kritiek op de keuze van deze locatie voor een villapark vanwege de onsamenhangende vorm van het bouwterrein. Zo schreef de architect S. de Clercq in het Bouwkundig Weekblad uit 1911 hierover: "De vorm van Zorgvliet, haar halfcirkelvormige omgrenzing vastgelegd door Groot Hertoginnelaan en Stadhouderslaan en het schoonste gedeelte van Zorgvliet, haar ongeveer vierkante kern, vastgelegd door het privé-bezit van de heer mr. Goekoop, vormt het hoofdbezwaar."
De opzet bestaat uit een landschappelijke aanleg in glooiend terrein met villa's aan een overwegend gebogen stratenpatroon. In het stedenbouwkundig ontwerp is met de loop van de Haagse Beek rekening gehouden. Voor de aanleg van het zuidelijk deel van de wijk was het water ten noorden van de Groot Hertoginnelaan met een vertakking tussen de huidige Alexander Gogelweg en Andries Bickerweg een belangrijk structuurbepalend element. De strook grond tussen dit water en de Groot Hertoginnelaan werd niet bebouwd, waardoor het vrije uitzicht van de Duinoordse villa's bleef gehandhaafd.
Tegen de grens met het Statenkwartier werd op de plek van de voormalige Parnassusheuvel van 'Sorghvliet' een woonhotel gebouwd (Catsheuvel, 1927). Naast dit gebouw verrees in een fraaie tuin met vijvers het Haags Gemeentemuseum van dr. H.P. Berlage (1929-1935).
Structurele en/of functionele veranderingen.
Het noordwestelijk deel van het villapark is tijdens en na de Tweede Wereldoorlog ingrijpend gewijzigd. Het huidige traject van de President Kennedylaan en Johan de Wittlaan was onderdeel van de tankgracht van de Duitse bezettingsmacht, waarvoor de oorspronkelijke aanleg en villa's moesten wijken. In dit kaalgeslagen gebied is met de aanleg van het Stadhoudersplantsoen, de President Kennedylaan en Johan de Wittlaan een nieuwe stedenbouwkundige structuur ontstaan. Van het ‘Basisplan Stadhoudersplein- Scheveningsche Boschjes’ uit 1947 van W.M. Dudok is alleen het idee om een ‘eiland’ met openbare functies en kantoren te creëren, gehandhaafd. Een Cultureel Centrum met schouwburg, concertzaal, congresgebouw, een archief en conservatorium haalde het niet. Ook zijn de Amerikaanse ambassade en enkele kantoren in de tuin van het Catshuis niet totstandgekomen.
Het gebied heeft een veel dichtere bebouwing gekregen dan Dudok voor ogen stond en mist de heldere structuur en het samenhangend bebouwingsbeeld van zijn plan. Door de bouw van het Congresgebouw naar ontwerp van J.J.P. Oud (1958-1966), een hotel, een groot aantal kantoren, het Omniversum, het Museon en de Statenhal is een wig in de stad geïntroduceerd, die bovendien zeer veel verkeer aantrekt.
Het Catshuis is sinds 1961 de officiële ambtswoning van de minister-president, maar fungeert thans als vergader- en ontvangstgelegenheid voor de regering.
De woonfunctie van Zorgvliet is nog maar in beperkte mate aanwezig. Het merendeel van de villa's wordt gebruikt als ambassade of kantoor. Aan de Laan van Meerdervoort en in de driehoek Anna Paulownastraat/Scheveningseweg/Laan van Meerdervoort hebben kantoren het wonen eveneens verdrongen. In het Congresgebouwgebied e.o. is de woonfunctie nagenoeg geheel verdwenen.
Op het terrein van het Vredespaleis vonden in de jaren zeventig uitbreidingen plaats ten behoeve van een bibliotheek en gerechtsgebouw.
(Bron:Monumenten inventarisatieproject Den Haag 1850-1940. Den Haag 1992)
Meer weten? Lees dan ook:
T. Morren, Zorgvliet, Buitenrust en Rustenburg. Amsterdam [z.j.].
Kees Stal, 'Een parel aan de kroon van 's-Gravenhage: Zorgvliet, de geschiedenis van landgoed en villawijk'. Den Haag [z.j].
Wim de Koning Gans, Duinoord en Zorgvliet in oude foto's, 1895-1955, Den Haag 1999.
DUINDORP
De wijk Duindorp, gelegen ten zuidwesten van Scheveningen-Haven wordt begrensd door de kust, de Houtrustweg, Nieboerweg, Laan van Poot en een denkbeeldige lijn dwars door het Westduinpark tussen de Laan van Poot en strandpaal nr. 104.
Ontwikkelingsgeschiedenis
In de duinen van het latere Westduinpark werd tussen circa 1915 en 1930 op een min of meer rechthoekig grondplan, grenzend aan het in 1888-1889 gegraven Afvoerkanaal, de woonwijk Duindorp aangelegd. Tot de wijk behoort ook nog een strook grond ten zuidwesten van de 3e Binnenhaven, dat in gebruik was bij het zendstation "Scheveningen Radio". In de punt tussen de Nieboerweg en de Laan van Poot lag het Juliana Kinderziekenhuis.
Opvallend is de geïsoleerde ligging van de wijk in het duingebied. Het Afvoerkanaal vormt de scheiding met de vooroorlogse uitbreidingen van Scheveningen-Haven, terwijl de Bosjes van Poot Duindorp van de Vogelwijk scheiden. Deze uitzonderlijke ligging heeft een historische oorsprong. Tegelijkertijd met de vlak voor de Eerste Wereldoorlog ontwikkelde gemeentelijke saneringsplannen ten zuidwesten van de Keizerstraat werd ook naar uitbreiding gezocht om het woningtekort onder de Scheveningse bevolking op te heffen. Deze uitbreidingen werden tussen de beide wereldoorlogen gerealiseerd rond de havens en het aangrenzende deel aan de overzijde van het Afvoerkanaal, dat Duindorp ging heten.
Een voorstel tot de bouw van 766 gemeentelijke woningwetwoningen aan de zuidwestzijde van het Afvoerkanaal werd op 6 juli 1914 door de gemeenteraad aangenomen. Onder de naam "complex Afvoerkanaal-West" werden hier in 1916-1917 de woningen van de Zeezwaluwhof, Meeuwenhof en Pluvierhof gerealiseerd. Deze in elkaars verlengde gelegen woningbouwcomplexen naar ontwerp van de gemeentearchitecten W. Greve en G. Albers behoren tot de vroegste gemeentelijke woningwetwoningen in Den Haag. De opzet bestaat telkens uit een om een hof gelegen binnenring van eengezinshuizen en een buitenring van beneden- en bovenwoningen. Met dit concept werd de laagstbetaalden een woonomgeving met meer lucht en ruimte geboden. De poortgebouwen waardoor men de binnenhoven kan betreden zijn een stedenbouwkundig middel om aan het geheel een gemeenschapszin bevorderende beslotenheid te geven.
Al vrij snel werd ten zuidwesten van het "complex Afvoerkanaal-West" een van het Rijk aangekocht stuk duingrond geëgaliseerd en bouwrijp gemaakt. Dit deel van de wijk is tussen circa 1920-1930 tot stand gekomen. Ook hier werd voor de laagstbetaalden gebouwd. De kavels bestaan uit open bouwblokken met aaneengesloten bebouwing waarbij soms door het terugspringen van de rooilijn pleinvormige ruimten zijn gecreëerd.
In tegenstelling tot de hoofdzakelijk noordwest-zuidoost gerichte oriëntatie van het "complex Afvoerkanaal-West" is hier het stratenpatroon overwegend evenwijdig aan de kust. Een uitzondering vormt de diagonale loop van de Tesselsestraat. De hoofdader van de wijk, de Pluvierstraat, en de diagonale hoofdontsluiting van de Tesselsestraat bezitten een bredere aanleg dan de overige straten. Op de kruising van beide straten bevindt zich het enige plein van Duindorp, het Tesselseplein.
De openbare gebouwen zijn alle in het gebied tussen de Nieboerweg en Pluvierstraat gelegen met een concentratie aan de twee terreinen langs de Tesselsestraat en tussen de Doggersbankstraat en Breezandstraat.
Eén van de meest opvallende stedenbouwkundige kenmerken van de wijk is de grote mate van uniformiteit. Dit was het gevolg van het feit dat een groot deel van de woningen door de gemeente zelf is ontworpen en standaardisatie in de volkswoningbouw werd nagestreefd. De gemeentewoningen bestaan uit het "complex Afvoerkanaal-West" en de bebouwing tussen de Pluvierstaat en Wieringsestraat. Tussen de Pluvierstraat en de Nieboerweg is particuliere woningbouw gerealiseerd, die goed aansluit op de gemeentelijke woningbouw. Dit was mogelijk omdat ook de door particulieren uitgevoerde huizenblokken zijn gebouwd naar schetsontwerpen van de Dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting.
De hoogte van de bebouwing is gering: twee en drie bouwlagen. De wijk kent geen monumentale bebouwing of opvallende hoogteaccenten op de kruisingen van hoofdstraten.
In de wijk zijn platte daken toegepast met uitzondering van de complexen langs het Afvoerkanaal en een rij huizen aan de zuidkant, die zijn voorzien van pannen daken van verschillende vorm.
Structurele en/of functionele veranderingen
De zuidwestelijke zijde van de Meeuwenhof werd oorspronkelijk ingenomen door een schoolgebouw. Dit is inmiddels vervangen door woningbouw die qua schaal en opzet goed past in de opzet van de hof. Ook de vervangende nieuwbouw langs de Breezandstraat en de uit 1953 daterende bebouwing van de Pluvierhof langs de Zeezwaluwstraat passen goed in de oorspronkelijke opzet.
De binnenhoven van de Zeezwaluwhof, Meeuwenhof en Pluvierhof zijn geheel of gedeeltelijk verhard. Oorspronkelijk waren hier plantsoentjes omgeven door hekjes en hagen aanwezig.
Ingrijpende functionele veranderingen hebben zich in de wijk niet voorgedaan. De winkels zijn over de wijk verspreid; aan het Tesselseplein is een kleine concentratie van winkels en horeca.
Bebouwingsbeeld
De tussen omstreeks 1915-1930 gerealiseerde bebouwing van Duindorp wordt geheel ingenomen door arbeiderswoningen en enkele openbare gebouwen. Er is een afwisseling van eengezinshuizen, beneden- en bovenwoningen en portiekwoningen in respectievelijk één, twee of drie bouwlagen.
De portiekwoningen zijn langs de randen van de wijk en in de bredere straten gesitueerd. Dit type woning komt in de vooroorlogse bebouwing van het "complex Afvoerkanaal-West" niet voor. Hier worden de eengezinswoningen omsloten door beneden- en bovenwoningen.
De architectuur in Duindorp is eenvoudig. Hier en daar zijn invloeden van het Traditionalisme, de Amsterdamse School of Nieuwe Haagse School waarneembaar.
Met name de gemeentelijke woningwetwoningen worden gekenmerkt door een welbewuste uniforme architectuur, waarbij de stedenbouwkundige groepering een belangrijk element vormt. De drie hoven van het "complex Afvoerkanaal-West" zijn als zelfstandige architectonische eenheden opgezet. Karakteristiek zijn de risalerende gevelwanden aan de buitenzijde en de hoger opgetrokken poortgebouwen en hoekpaviljoens aan de binnenzijde. De als eerste gebouwde Zeezwaluwhof is in de details van portalen, poortdoorgangen en kapvorm afwijkend van de Meeuwenhof en Pluvierhof. Bijzondere aandacht is besteed aan de architectuur van de poortdoorgangen van de Meeuwenhof en de Pluvierhof.
De gemeentelijke woningwetwoningen uit de jaren twintig tussen de Pluvierstraat en de Wieringsestraat, ontworpen door de gemeentearchitecten W. Greve en A. Pet, zijn zeer sober van vormgeving zonder bijzondere stilistisch kenmerken. Voor deze zogenaamde "woningen met zeer lage huurwaarde" werd door het toenmalige Ministerie van Arbeid een bijdrage verleend op voorwaarde dat zij sober uitgevoerd zouden worden.
Voor het architectuurbeeld betekende de renovatie van alle bouwblokken tussen de Pluvierstraat en de Wieringsestraat een grote verandering. Het schoon metselwerk dat deze wijk eens kenmerkte, is van een lichtgekleurde bepleistering voorzien.
Een meer uitgesproken stilistische uitwerking geven de schoolgebouwen langs de Tesselsestraat en Doggersbankstraat/Pluvierstraat te zien. Hier vallen met name de zorgvuldig gegroepeerde bouwmassa's en de geprononceerde vensterreeksen van de vleugels aan de Doggersbankstraat en Tesselsestraat 75 op. Vermeldenswaard is voorts de uit 1927 daterende zaalkerk op de hoek van de Nieboerweg en Tesselsestraat met invloeden van zowel de Amsterdamse als de Nieuwe Haagse School.
(Bron: Monumenten inventarisatieproject Den Haag 1850-1940. Den Haag 1992)
Meer weten? Lees dan ook:
J.F.M. Wentholt, J.M. Mastenbroek en L. Wiegman, Duindorp vrooger en non. Den Haag 1982.